Verhaal

Voedselbank / Arm en Rijk

armoede

Kwam armoede vroeger voor in Hoogeveen? Vanzelfsprekend. Was deze armoede groter en meer dan in andere plaatsen? Tja, dat moet met ‘nee’ worden beantwoord, al blijft de beeldvorming van de arme veenarbeider met zijn veertien kinderen in een armoedige plaggenhut weerbarstig bestaan.  Waren er rijken in Hoogeveen? Tja, dat is maar net wat je rijk noemt. De rijkdom zoals bij de regenten in Amsterdam, nee die kenden we niet, maar er waren altijd mensen die relatief rijk genoemd kunnen worden. 
 
Het begrip armoede is beter te definiëren, dan het begin rijkdom. Provinciaal historicus Michiel Gerding definieert armoede als volgt:
 
“ (…)armoede gezien als een toestand waarin men niet in staat is volledig te voorzien in het onderhoud van zichzelf en de zijnen en waarbij men is aangewezen op steun van derden. Daarbij moet een onderscheid gemaakt worden in groepen die permanent ondersteuning behoeven en groepen die af en toe onderstand genieten. Tot de eerste categorie behoren meestal bejaarden, gebrekkigen, weduwen met kleine kinderen en diegenen die fysiek niet in staat zijn in hun eigen onderhoud te voorzien. De andere categorie wordt gevormd door degenen die vooral ten gevolge van de economische omstandigheden onvoldoende inkomen kunnen verwerven. Dat kan een gevolg zijn van een tekort aan werk, een overschot op de arbeidsmarkt of te hoge prijzen.”
 
Tot deze levensbehoeften worden gerekend: een woning/huisvesting, voeding, kleding en huisbrand (iets in de kachel).
 
De Britse socioloog Rowntree was de eerste die beschreef in hoeverre de levensfase van een persoon te maken had met zijn of haar economische positie in het industriële tijdperk. Hij ontwikkelde hiervoor de Poverty Circle: 

I Kind – loopt groot gevaar om tot armoede te vervallen door achterblijven gezinsinkomen (bijv. moeder kan niet werken), of door het wegvallen van één of beide ouders.

II Jongere en jong volwassene vanaf circa 15-16 jaar: is in staat om voor zichzelf een inkomen te verwerven. Heeft een redelijk goed bestaan.

III Huwbare volwassene: voordat er kinderen zijn, heeft het gehuwde koppel een ruim inkomen. 

IV Gezin met kleine kinderen: vaak is de moeder thuis en valt er één inkomen weg. Daarnaast zijn er extra gezinsuitgaven (meer monden die gevoed moeten worden).

V Gezin met wat oudere kinderen: de inkomenspositie stijgt omdat het inkomen van de kinderen die ook uit werken gaan mee tellen bij het totale gezinsinkomen.

VI Gezin met de kinderen de deur uit: redelijk goede inkomenspositie, mits de huwelijkspartners beiden nog werken.

VII Ouderen: afhankelijk van de gezondheid. Groot gevaar om niet meer te kunnen werken en dan overgeleverd aan de kinderen, vrienden, buren, of de bedeling. 
 
Elke periode kent eigen visie en beleid ten aanzien van de armen:
 
Middeleeuwen

De arme was volledig afhankelijk van zijn of haar sociaal netwerk. Daarnaast kon men aankloppen bij de kerk. Voor Pesse betekende dit het in de 11e eeuw gestichtte klooster in Ruinen of de vicarie die vanaf de 14e eeuw in het dorp zelf functioneerde. Armoede werd gezien als een door God ingestelde staat. Liefdadigheid werd gezien als een goed christelijke daad en was binnen het rooms katholicisme een verplichting. 
 
Ancien Regime

In Drenthe was de kerk vanaf de reformatie van 1596 volledig onder de staat (Landschap Drenthe) gesteld. De armenzorg die er was, werd volledig vanuit de kerk (diaconie) geregeld. Armoede werd gezien als een individueel probleem en werd ook individueel aangepakt. Het plegen van liefdadigheid jegens de armen middels het geld geven aan de diaconie werd als christenplicht gezien. Het oplossen van de armoede werd als onmogelijk en onwenselijk beschouwd, omdat dit een door God ingestelde orde betrof.  Van de arme werd verwacht dat deze eerst aanklopte bij familie en vrienden voordat men zich tot de kerk wendde.  Aan het eind van het tijdperk kwam de Verlichting op. Door onderwijs, coaching en het bijbrengen van waarden en normen zou elk individu kunnen worden opgevoed en opgeleid tot een nuttige burger van de samenleving. Onder invloed van de verlichting ontstonden er plannen – ook in Hoogeveen – om armenwerkhuizen op te richten: instellingen waren werken, onderwijs en armenzorg werden gecombineerd. 
 
1800-1850

In de Franse Tijd werd de staat losgekoppeld van de kerk. Er kwam volledige godsdienstvrijheid en alle religies werden gelijkgesteld. Koning Willem I poogde de toestand van voor de Franse Tijd te herstellen, door de Nederlands Hervormde Kerk in te stellen. Dit leidde tot de Afscheiding van 1834. De diaconieën waren niet meer in één hand, maar steeds meer kerkgenootschappen gingen zich hiermee bemoeien.   Het oude onderscheid tussen fatsoenlijke armen (armen die buiten hun schuld in armoede waren vervallen) en vagebonderenden (armen die het aan zichzelf te wijten hadden dat ze arm waren door verkwistend gedrag, alcoholisme e.d.) dat al vanaf de 17e eeuw bestond, bleef onverkort van kracht.  De samenleving had nog steeds te maken met een minimaal opererende overheid (nachtwakersstaat), die zich zo weinig mogelijk overal mee bemoeide. Omdat de overheid wel steeds betrokken was als geldschieter middels subsidies moest ze zich wel steeds meer met de armenzorg bemoeien. In de eerste instantie was dit geregeld bij de Grondwet van 1814. Hierin werd de armenzorg vrijwel volledig overgelaten aan het particulier initiatief,
lees de kerkgenootschappen, of aan de aan de kerken gelieerde stichtingen. Deze gingen er trouwens, net als de overheid, nog steeds vanuit dat de arme eerst maar eens bij de familie, vrienden en buren moest aankloppen, voordat men bij hen op de stoep stond.  Ook de idee dat armoede een door God gewilde institutie was, werd nog gepropagandeerd. De bedoeling was dan ook niet om de armoede op te heffen, maar om het gedrag van de arme beheersbaar te houden. De gegoede klasse was bang voor opstanden en het verspreiden van ziektes door de onvermogenden. 
 
1850-1900

Het tij keert langzaam. De Armenwet van 1854 veranderde weinig in de praktijk, al werden gemeenten via deze wet wel verplicht om burgerlijke armbesturen op te richten. Dezen hadden tot taak om de bedeling te regelen voor diegenen die niet bij een kerk terecht konden. Daarbij moest de zorg wel beperkt worden tot zorg bij “volstrekte onvermijdelijkheid.” De armenzorg werd door diverse particuliere initiatieven een lappendeken van goede bedoelingen. Diverse emancipatiebewegingen kwamen op, zoals de arbeidersbeweging. Iemand als Domela Nieuwenhuis kwam een aantal malen spreken bij de Algemeene Werkliedenvereeniging. Daarnaast was er nog de Christelijke Werkliedenvereeniging Patrimonium. Deze verenigingen waren geen arbeidersverenigingen, maar verenigingen waar arbeiders en werkgevers in één vereniging zaten. De verenigingen richtten wel zelf potjes op voor de leden zoals een ziekenfonds en een begrafenisvereniging. De overheid werd dan wel belangrijker, initiatief en uitvoering lag toch nog vooral bij het particulier initiatief. 
 
1900-1940

Net na de eeuwwisseling komt er in rap tempo sociale wetgeving door, zoals de Leerplichtwet in 1900, de Woningwet in 1901 en de Armenwet uit 1912, die het particulier initiatief steeds meer indamde middels de Armenraden. Vooral de leerplicht heeft er voor gezorgd dat veel arbeiderskinderen structureel naar school gingen. Dit verbeterde hun positie op de arbeidsmarkt aanmerkelijk. Onderwijs was dan ook een goed wapen tegen de armoedeval. Door allerlei sociale wetgeving die nu ook door de overheid werd opgepakt, werd de arme steeds minder afhankelijk van de welwillendheid van het particulier initiatief. Werkverschaffingsprojecten, voor en na de oorlog, werden door de overheid in gang gezet om werklozen aan het werk te krijgen. Volledig gesubsidieerde instellingen als Opbouw Drenthe zorgden ervoor dat aan de arbeidende bevolking cursussen en voorlichting werd aangeboden.  Armoede wordt steeds minder gezien als een individueel probleem, maar steeds meer als een collectief probleem. 
 
1940-2000

De armenzorg kwam volledig in handen van de overheid te liggen. Er ontstond een uitgebreid stelsel van uitkeringen en volksverzekeringen. Initiatieven die vanuit het veld werden ontwikkeld, werden vrijwel geheel door de overheid gesubsidieerd (semi-overheid). De opvatting dat armoede niet zozeer een individueel probleem is, maar veeleer een collectief probleem, werd algemeen. Aan het eind van deze periode trad er steeds meer een kentering in. 
 
2000-nu

Veel zaken die vanaf 1900 waren gerealiseerd op het gebied van sociale zekerheid en armenzorg komen steeds meer onder druk te staan. Er is sprake van een zich terugtrekkende overheid die steeds meer taken neer wil leggen bij het particulier initiatief (privatisering van diverse overheidstaken).  Mensen worden ook steeds meer afhankelijk van de ouderwetse bedeling in de vorm van voedselbank en kledingbank. De diaconieën worden overal weer ingezet om de armoede op te pakken. Armoede wordt steeds meer en meer gezien als een individueel probleem en niet als een collectief probleem. 
 
Was er veel armoede in Hoogeveen? 

Een groot misverstand is dat alle arbeiders en armen in Drenthe in plaggenhutten woonden. Plaggenhutten werden in de eerste instantie gebouwd als seizoensarbeiderswoningen op en nabij het af te graven veencomplex. In sommige economisch slechte tijden hebben ook mensen in bouwsels gewoond die we in de haardstederegisters2 tegenkomen onder de noemer een hutte of minder dan een hutte. In de moeilijk economische situatie rond 1791 staat 10% van de woningen in Hoogeveen als zodanig geregistreerd. Gedurende de hele 19de eeuw zullen er her en der mensen permanent in hutten blijven wonen. Ook in de 20ste eeuw komt dit nog voor. Het aantal mensen dat hier woonde is echter beduidend minder dan vaak in de beeldvorming naar voren wordt gebracht. Bij het verhaal van “huis en brand” dat dikwijls over de hutten wordt verteld, moeten ook de nodige kanttekeningen worden gezet. In de Hoogeveense situatie was het niet toegestaan dat iemand een hut op iemand anders grond zette, zonder daar voor te betalen. Wel zijn er gevallen bekend dat iemand een hut bouwde op eigen grond, of grond dat in erfpacht werd genomen. Daar was dan nog wel geld voor, maar niet voor het bouwen van het huis zelf. Dat werd in de komende jaren gerealiseerd. Ook zijn er diverse gevallen dat mensen in hutten door de eigenaar van de grond van het land zijn gezet. Meestal wordt er gedacht dat het in Drenthe alleen armoede troef was. Uit de cijfers blijkt dit echter niet. Na analyse van de cijfers in Hoogeveen over de jaren 1851-18653 blijkt dat gemiddeld 10 % van de totale bevolking bedeeld werd (zet hier tegenover de cijfers uit de steden, waar de bedeling niet zelden opliep tot 40 a 50 %. In sommige perioden benaderde het aantal zelfs de 80 %). Hierbij zijn de cijfers genomen van het aantal thuiszittende armen, de tijdelijk bedeelden en de inwoners van het armenwerkhuis. Daarbij werden in de meeste jaren ongeveer tweemaal zoveel mensen tijdelijk bedeeld, dan permanent bedeeld. Tijdelijke bedeling kon voorkomen bij ziekte, of tijden van grote seizoenswerkeloosheid. Ook uit onderzoek naar de 18de eeuwse inventarissen uit Drenthe blijkt dat op basis van de materiële cultuur – ook afgezet tegen andere delen van Drenthe – het in Hoogeveen wel mee te vallen.4 Uit de militiegegevens in de 19e eeuw blijkt dat met name in de veengebieden er relatief veel lange jonge mannen voorkomen, in vergelijking met het zandgebied. Dit is ook een teken van een relatieve welvaart.
 
Economische ontwikkelingen

De economie veranderde vanaf de 17de eeuw sterk. In de 17e en 18e eeuw was vrijwel iedereen afhankelijk van de veenarbeid en daar aan gerelateerde bedrijfstakken. Maar niet alleen. Al rond 1700 kende Hoogeveen een grote groep middenstanders en ambachtslieden. Hoogeveen had ook toen al een regiofunctie. De toch eenzijdige economie veranderde al in de eerste helft van de 19de eeuw. Rond 1840 wilde de gemeente de Hoogeveensche Vaart al verder het achterland in laten graven: de vaart voldeed niet meer voor de grotere schepen die in opkomst waren en – minstens zo belangrijk – het veen begon op te raken. Nu werd er al gegraven aan de uiterste randen van de gemeente. Als in 1854 het kanaal dan ook wordt verbeterd en verder het achterland in wordt gegraven, verandert de bevolking. Schippers krijgen steeds grotere schepen en wonen steeds minder in Hoogeveen zelf, de veenarbeiders trekken met het veen mee en wonen steeds minder in Hoogeveen. Daarvoor in de plaats komen kleine boerenbedrijven, bosbouw en steeds meer ambacht. Deze trend zet zich in de tweede helft van de 19e eeuw sterk door. Rond 1870-1875 zijn alle veencomplexen binnen de gemeente Hoogeveen vergraven. De enkele veenarbeider die in het laatste kwart van de 19e eeuw nog in Hoogeveen woonde, werkte op complexen buiten de gemeentegrenzen, tussen Hoogeveen en Emmen. Rond 1900 wonen er nog maar zo’n 200 veenarbeiders in Hoogeveen, op een bevolking van 12000 inwoners.  De bevolking vond steeds meer werk in de opkomende industrieën. Zo kende Hoogeveen uitlopende bedrijven van een koffiebranderij, tabakskerverij en vermicellifabriek tot turfstrooiselfabrieken, houtstekken, leerlooierijen enz. De transportsector die van oudsher een belangrijke bedrijfstak was zette zich voort in vrachtwagenondernemingen. Ook grotere bedrijven kwamen in Hoogeveen. Toen de melkfabriek zich ging richten op gecondenseerde melk was het voor de blikfabriek rendabel om in Hoogeveen te komen. Omdat er een blikfabriek in Hoogeveen zat, en omdat landbouwgrond steeds meer geschikt werd gemaakt voor tuinbouwgrond, was het voor Lucas Aardenburg weer lucratief om in Hoogeveen te gaan zitten.  Voor de Tweede Wereldoorlog werd er al regelmatig vergaderd over de werkloosheid in Hoogeveen. Na de Tweede Wereldoorlog verslechterde de toestand alleen maar. Door de landbouwmechanisatie was er steeds minder werk voor landarbeiders, de industriële ontwikkeling kwam niet echt op gang en door de algehele schaarste waren er ook te weinig mogelijkheden in bijvoorbeeld de bouw. Tel daarbij op de geïsoleerde ligging van het buitengebied van Hoogeveen (water!), het lage opleidingspeil en een min of meer eenzijdige economie en het plaatje is compleet. Hoogeveen stond voor de enorme klus om het buitengebied uit haar geïsoleerde positie te halen, werkgelegenheid in Hoogeveen te realiseren en om het huizenaanbod uit te breiden en te moderniseren. In 1956 werd Hoogeveen aangewezen tot Kerngemeente. Het was voor grote bedrijven gemakkelijker geworden om zich nu in Hoogeveen te vestigen. En zo kwamen bedrijven als Kappa, Standerd Electric (nu Fokker) en Philips naar Hoogeveen. Daarnaast waren er nog tal van kleinere bedrijven die hun opwachting maakten. Het ging hierbij om hoofdzakelijk laag opgeleide functies. Het middenkader en het hoger kader werd aanvankelijk door het bedrijf zelf meegenomen naar Hoogeveen. Dit had ook een grote verandering in de opbouw van de bevolking tot het gevolg.  De oorspronkelijke bevolking was doorgaans laag opgeleid. De industrieën die naar Hoogeveen werden getrokken richten zich vooral op laag geschoolde arbeid. Vanaf de jaren 70 van de vorige eeuw kwam juist deze laaggeschoolde arbeid steeds meer onder druk te staan. Hoogeveen probeerde in deze periode al een hogeschool naar Hoogeveen te halen om het gevaar van deze eenzijdige opbouw te doorbreken. Dit mislukte echter. Ook door het uitbouwen van Hoogeveen tot diensten- en distributiecentrum heeft men geprobeerd om het economische tij te keren. Alle inspanningen ten spijt is het nog steeds een gemeente met overwegend arbeid voor het laag en midden kader.  

 

Bronnen:

M.A.W. Gerding – De bevolking van Hoogeveen 1625-1813 in : Hoogeveen, oorsprong en ontwikkeling 16251813.  Red. F. Keverling Buisman e.a. Hoogeveen, 1983 (87-89) 

2 Het algemene belastingregister van de Landschap Drenthe werd in de 17de en de 18de eeuw het Haardstederegister genoemd. Dit register werd per kerspel bijgehouden. 3 OAH Jaarverslagen der Gemeente Hoogeveen. Ongenummerd. 4 Dit onderzoek wordt momenteel door mij uitgevoerd en is nog lopende. 
 
 
Arm en Rijk – Marga Zwiggelaar Maart, 2017