Jan is geboren en getogen in Nieuweroord. Zijn vader was kapper in het dorp. Het gezin woonde eerst in de oude melkfabriek bij de Trambrug, maar verhuisde voor de oorlog al naar het huis aan de Middenraai 89 bij de sluis. Jan was acht jaar toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak.
De eerste herinnering van Jan aan de oorlog is het opblazen van de Trambrug door de Nederlanders. Ze werden va tevoren gewaarschuwd. De moeder van Jan ging met de kinderen in de kelder zitten en zijn vader ging achter een muurtje staan. Het was zo’n klap dat stukken ijzer nog over hun huis vlogen en neer kwamen in het weiland van Steenbergen. In dit stuk komt een aantal keren de namen voor van de boerderijen van Steenbergen en Booy. De boerderij van Steenbergen stond ongeveer op de hoek van de Eerste Wijk en de Bonk. Deze is in de jaren 80 afgebroken. De boerderij van Booy is nog steeds Eerste Wijk 3.
Op 10 mei 1940 kwamen de Duitsers deze kant op. Ze kwamen langs de Coevorderstraatweg en langs het kanaal. Het opblazen van de Trambrug was dus eigenlijk voor niets geweest. Langs de Hoogeveensche Vaart kwamen eerst de verkenners te paard. Bij de Middenraai stapten ze van de paarden af en kropen onder de brug om te kijken of er dynamiet was geplaatst. Dat was niet het geval, de verkenners trokken verder. Daarna kwamen er hele rijen Duitsers langs het kanaal deze kant op. Nieuweroord was zo in een mum van tijd bezet.
In het begin had men in het gewone leven weinig last van de Duitsers. Ze kochten gewoon spullen in de winkels en betaalden die. Bij Smand werd vooral ook chocolade gekocht, dat was in Duitsland schaars. In de eerste oorlogsjaren werkten ook nog verschillende Nieuweroorders gewoon in Duitsland tegen een salaris. Dat was toen namelijk nog niet verplicht. Toen ze later aan de verliezende hand waren, kwamen ze in de verdrukking en begonnen ze agressief te worden. In de loop van de jaren werd de oorlog grimmiger. De school en de meesterwoning op Bargie werden gevorderd door de Duitsers. In de school waren soldaten gelegerd en op Bargie zaten officieren. Bargie was daarmee een strategisch punt, want van daaruit konden de Duitsers tot aan de Coevorderstraatweg kijken. De school was helemaal omgeven met rollen prikkeldraad en met houten kruizen die ook met prikkeldraad waren omwonden.
Bang voor aanslagen vanuit het verzet
Zo was het gebied afgerasterd, want de Duitsers waren nog wel bang voor aanslagen vanuit het verzet. Op drie punten stonden er schildwachten. Bij Smand aan de Middenraai, op de brug over de Middenraai en bij de slagerij van Berend Koster (huis aan de westkant van de school). ’s Avonds werden de houten kruizen op deze drie punten op de weg gezet en was de weg versperd. Moest je met spoed naar de dokter op Ettenheim in Noordscheschut dan had je een probleem. ’s Morgens gingen de hekken weer aan de kant, want de mensen moesten dan weer naar het werk. Wel werden de identiteitsbewijzen gecontroleerd en moesten de mensen een bewijs hebben dat ze naar het werk moesten.
Er waren in Nieuweroord best wel onderduikers. Daarom hielden de Duitsers ook iedere keer razzia’s om deze te proberen op te pakken. Op een keer stond een legerauto bij Jan voor het huis. Ze haalden de gevangengenomen mannen uit de auto, want die moesten de auto gaan duwen. Auto’s waren er toen niet en als de Duitsers met draaiende motor de Middenraai op zouden rijden, zou van verre de motor te horen zijn en verraadden ze zelf hun komst.
Een van de gevangenen zette het op een lopen om te vluchten, maar de Duitsers schoten op hem en toen is hij weer teruggekomen. Hij kreeg met een vuist een klap in het gezicht, zo erg dat het bloed eruit spoot.
Kinderen moest je zo weinig mogelijk vertellen, want die konden niet goed overzien wat ze wel en niet mochten vertellen. Zo hadden in het Lange Rak onderduikers een schuilkelder gemaakt. Tijdens een razzia waren de Duitsers op zoek naar onderduikers. Een jochie zei; ‘ie kunt ze lekker niet vienen he? Ze zit onder de takkenbossen’. Toen werden ze alsnog gepakt.
Op elkaar schieten met losse flodders
De Duitsers, die in de school gelegerd waren, moesten ook oefeningen doen. De Feldwebels knepen deze soldaten behoorlijk af. Aan beide kanten van het kanaal lagen er dan groepen soldaten die elkaar met losse flodders beschoten. Maar ze moesten ook door sloten met water en over het prikkeldraad kruipen. Soms hadden ze strafoefeningen, je kon zien dat ze soms bekaf waren. Jan z’n moeder had medelijden met de soldaten, ze zei dan ‘het zult oen eigen kiender maar wezen’.
In de kolk in de Hoogeveens Vaart, bij de ingang van de Middenraai, lagen vaak schepen voor anker. Deze vervoerden turf en voedsel naar het westen. Op een keer, op het laatst van de oorlog, komen er Engelse vliegtuigen overvliegen die het gemunt hebben op de schepen in de kolk. Het was maar even en de schoten ratelden door de lucht. Bij Jan thuis gingen ze direct op de grond tegen de binnenmuur liggen en z’n broer Bé lag met een klant achter een aardappeldobbe in de tuin.
De hulzen kletterden neer tegen hun huis en in de tuin. Ook werd er nog een stuk van hun regenbak afgeschoten. De kappersklant vond het neerkomen van de hulzen zeer interessant, steeds wilde hij weer achter de dobbe wegkomen en riep; ‘kiek doar tjolt er weer iene’. Steeds moest Bé hem weer achter de bult aardappels trekken.
De hulzen waren 10 tot 15 centimeter groot en dat was dus best gevaarlijk. De schepen zonken niet, maar werden wel geraakt. Bij één van de schepen stond een fiets in het vooronder. Hiervan was de voorvork doormidden geschoten. Ze wilden de hulzen graag bewaren maar de pa van Jan zei; ‘wat muj mit die rommel?’. Waarschijnlijk zijn ze in het kanaal gegooid.
Tegen het eind van de oorlog hebben de Duitsers de Trambrug weer opgeblazen. Zonder waarschuwing, maar de klap was dusdanig hard dat ijzeren stukken opnieuw over het huis van Jan vlogen en neerkwamen in het land van Steenbergen.
Behoorlijke stoppels
Zoals gezegd was Jan z’n vader kapper in de oorlog. Naast het knippen van het haar was één van de belangrijke taken; het scheren van de mannen. Dit kostte ‘een dubbeltje’, 10 cent, per keer. Het liefst zouden mannen zich dan twee keer per week willen laten scheren, maar door de armoede kunnen velen zich dat niet veroorloven. Gevolg was dat ze dan maar één keer per week kwamen en er een behoorlijke stoppel met het grote mes weggewerkt moest worden. Thuis scheren was toen nog geen optie.
Jan is samen met z’n vader 50 jaar kapper in Nieuweroord geweest. Eerst in het witte huis bij de Trambrug, waar Jan geboren is. Vroeger was dit huis de plaatselijke melkfabriek (Hoogeveense Vaart 45). Jan z’n vader had daar een kapperszaak en z’n moeder had daar een kruidenierswinkel, “woarin ok koppies en dat spul verkocht werden.”
In het pand zat een hele grote kelder, want er werd vroeger ook boter gemaakt en dat werd bewaard in de kelder. De kapperszaak zat boven de kelder, je moest drie traptreden op om in de kapsalon te komen. In de kapsalon was ook een regenbak, waar de regen werd opgevangen. Ze kenden toen nog geen waterleiding. Het was primitief maar het werkte, voor het scheren had je namelijk water nodig. Nog voor de oorlog verhuisde het gezin met de kapperszaak naar het huis bij de sluis (Middenraai 89). Dit huis stond op de grens van de gemeente Hoogeveen, direct daarnaast begon het gebied van de toenmalige gemeente Westerbork. Ze hadden toen direct al een waterleiding en ook elektriciteit.
Water halen bij de kapper
Omdat een groot gedeelte van Nieuweroord, in de noordelijke richting, toen nog niet aangesloten was op de waterleiding kwamen vooral op zaterdag veel Nieuweroorders water halen bij de kapper. Het waren veelal de vrouwen die dat deden. Dit water werd dan ook gebruikt voor de wekelijkse was op maandag. Ze kwamen met melkwagentjes waarop vier melkpullen pasten. De tuinslang lag naast het huis en zo konden de bussen gevuld worden. Zo werden er soms wel 80 bussen water gehaald. Ze hadden toen nog geen meter op de waterleiding zodat dit gratis geleverd kon worden. Na de oorlog werden ze verklikt en besloot de gemeente een meter te plaatsen.
De familie Van den Berg was gereformeerd en ging naar de school aan de Drostenraai in Noordscheschut. Dit was naast de huidige gereformeerde kerk. Ook deze school was door de Duitsers gevorderd. Ze hadden dan les in het kerkgebouw maar ook in het ‘verloffie’ van Jan Barelds. Dat stond aan de oostkant van de Sluis in Nieuweroord. Ze moesten dan een turf meenemen zodat het zaaltje warm gestookt kon worden.
Een ‘verloffie’ is geen café, maar er mag wel frisdrank verkocht worden. Barelds was ook sluiswachter en combineerde dit met de exploitatie van het ‘verloffie’. De kooplui en schippers die hier turf, graan, aardappels en stro kwamen kopen, handelden hun zaak dan af in het ‘verloffie’.
In een schip ging dan ongeveer 75 ton aardappels, hiervoor ontvingen de boeren dan 4,5 cent per ton. Soms stond het water in de Middenraai te laag voor de schepen. De aardappels moesten dan eerst met bokken aangevoerd worden naar de Hoogeveense Vaart. Daar werden ze dan overgeladen in de schepen.
Honger was er in Nieuweroord niet, dit kwam door de vele boeren die hier woonden. Er werd volop voedsel verbouwd. Zo vroeg Jan z’n vader dan tijdens het knippen aan een klant, “heb ie nog broene bonen te koop?”. Dat had de klant wel, maar die wilde er volgens de vader van Jan te weinig voor hebben. Jan z’n vader bood hem toen een pakje pruimtabak aan als extra. Ze verkochten ook tabak in de kapsalon, maar ook dat was op de bon. De klant was hier zo blij mee, dat ze de pul met bonen hiervoor gratis konden krijgen. Maar kapper Van den Berg betaalde toch nog wat bij voor de bonen.
De bonnen die voor de tabaksartikelen moesten worden ingeleverd, bewaarde hij voorin de la van een kastje. Op een keer waren alle bonnen verdwenen. Jan z’n vader weet bijna wel zeker welke klant dat gedaan moet hebben, maar hij had geen bewijs. Gevolg was dat de verkoop van tabak gestopt moest worden. Want je moest ingenomen bonnen weer inleveren om weer nieuwe rookwaar te kunnen inkopen.
Jan had een oom en tante in Den Haag wonen, daar was natuurlijk grote honger. Ze kwamen met enige regelmaat met de trein naar Hoogeveen om in Nieuweroord te logeren zodat ze weer konden aansterken. Aan eten was in Nieuweroord geen gebrek, wel was er een groot gebrek aan kleding. Zo kregen ze dan in een kussensloop een flinke hoeveelheid bonen mee. Deze waren goed houdbaar en voedzaam. Zij konden daar in Den Haag ook weer buurkinderen mee voeden. Het voedsel is onderweg gelukkig nooit afgepakt.
Niet zonder gevaar
Ook werden er zakken aardappels naar de familie gestuurd. Die werden meegegeven aan schippers die in Nieuweroord turf, koren en andere goederen kwamen laden voor de grote steden in het westen van het land. De schipper had de zakken op het dek staan. Aangekomen in Den Haag meerde het schip af ruim van de kade. De Hagenaars hadden natuurlijk honger en waren creatief om aan voedsel te komen. Zo maakten ze aan een lange lat een spijker en prikten zo de aardappelen uit de zak.
Dit verhaal hoorden ze later van de schipper toen hij weer in Nieuweroord was. Jan z’n moeder reageerde daar laconiek op, dan hebben toch nog andere mensen plezier van de aardappels gehad. Ook het varen van deze schepen was niet zonder gevaar, met enige regelmaat werden ze beschoten door geallieerde vliegtuigen.
Er was geen gebrek aan voedsel, maar er was wel gebrek aan bepaalde vitamines. Zo kregen veel mensen last van steenpuisten en bloedvinnen. Ook Jan heeft een hele dikkerd op de knie gehad: “ik was er zo ziek van als een hond.”
Jan zijn moeder bakte zelf brood. “We kochten de rogge en tarwe hiervoor bij de boeren. Wij hadden zelf een roggemeule waarmee we de rogge en tarwe gingen malen. Dat moesten we als jongens doen. Maar hoe fijner het koren moest worden gemalen, hoe zwaarder het draaien was. Dus wij zetten hem altijd stiekem op grof. Mijn moeder mopperde dan vaak dat we het meel veel te grof gemalen hadden. Vervolgens werd het brood gebakken in grote blikken in het fornuis. Normaal werd het fornuis gestookt op turf en kolen, maar in de oorlog werd meer op hout gestookt.”
In de oorlog had men last van een ziekte in de rogge. Onderaan een gebakken roggebrood ontstond dan een randje dat ze ‘Lenge’ noemden. Door dat te eten, kreeg je broodschurft. Jan z’n moeder ging dan naar Dr. Hospers op Ettenheim, schoorvoetend want mensen die toentertijd schurft hadden, waren vaak mensen die zich niet goed verzorgden. Maar de dokter zei: “Oh, vrouw Van den Berg, schaamt oe maar niet.”
Dr. Hospers schreef zalf voor die hij in allerlei potten op een plank had staan. Met deze zalf werden ze van top tot teen ingesmeerd, het stonk verschrikkelijk. “Daarna moesten we ons ondergoed er weer over aantrekken. Dat herhaalde zich nog een keer en na een paar dagen was je er dan vanaf.
In de oorlog moest je dan op zoek naar hout. Mijn vader ging dan naar Fredrik Blokzijl, die opzichter in de bossen was. “Magge wej die bomen doar wel uuthalen?”. Nou dat mocht wel. Nou, toen moesten wij als jongens van rond de twaalf jaar die bomen dan zagen en later kappen en de stukken hout klieven. We hadden twee kachels die gevoed moesten worden. Een kachel in de kapsalon en een fornuis in het achterhuis. Daar waren we dan hele middagen mee bezig.”
Zeeppoeder was er in het laatst van de oorlog ook niet meer. Een vervangend middel was dan ‘kleiziepe”. “Daar waste je dan mee, maar omdat men toen nog geen douches kende, was goed naspoelen niet mogelijk. Als je dan zondags in de kerk zat dan droogde die zeep wit op en zat je met een witte nek in de kerk.”
In de Gereformeerde kerk in Noordscheschut zaten zowel in de pastorie, school als ook in het jeugdgebouw Duitsers. Op zondagmorgen was er een kerkdienst in het gebouw. Soms zaten er in de dienst Duitsers om te luisteren of de dominee niets verkeerds zei. “De dominee moest altijd oppassen wat hij vertelde, anders werd hij opgepakt. Ook hadden de Duitsers er een handje van om, tijdens de kerkdienst, een varken te slachten. Dat varken schreeuwde dan dusdanig, dat de preek van de dominee niet meer te verstaan was. Pesterijen van de bezetter. De Duitsers stampten hard door de gang zodat je ook dan de dominee haast niet meer kon horen.”
Het einde van de oorlog nadert
“Engelsen en Canadezen naderden vanuit de richting van Coevorden. Er was zo’n hard gebulder (waarschijnlijk artillerievuur) dat de spiegelruit (etalageruit) in de kapsalon trilde in de sponningen.” Jan z’n moeder plakte daarom allemaal plakbandstroken op de ruit om te voorkomen dat die brak. “Maar het was te gevaarlijk om thuis te blijven. We dreigden in de frontline te geraken. Bij Bargie hadden de Duitsers zich ingegraven en bij de boerderij van Steenbergen lagen de Duitsers in de sloot met mitrailleurs, klaar voor het gevecht.
Met m’n moeder zijn we toen naar de boerderij van Booy aan de andere kant van de wijk (Eerste Wijk 3) gegaan. Die had al een soort ‘schuulgeval’ gemaakt. Op enig moment werd het stil in het dorp. Toen we weer besloten terug te gaan naar huis waren de Duitsers weg, er was ook niet geschoten. Of ze gevlucht zijn of gevangengenomen, weet ik niet.”
En toen was er de bevrijding. “Mien moe kwam mit de vlagge veur de dag”. Die had ze keurig opgevouwen bewaard tussen het beddengoed met de witte kant naar voren. Jan moest de vlag aan de mast doen, maar z’n moeder moest hem wel waarschuwen. “Jan rood moet bovenaan.” “Dat wus ik helemoale niet” Wij kenden helemaal geen vlag, aldus Jan.