Verhaal

Glazen cosmeticapot kapper Hemstede

Bij de kappersspullen van kapper Hemstede, die naar de verhalenwerf gaan zit ook deze glazen pot.

glazen pot

Het was altijd een bijzonder stuk, onder de grote spiegels en staand op de zwarte marmeren platen van de ladekasten, links en rechts van de grote kappersstoelen. De pot stond er eigenlijk gewoon mooi te wezen. De deksel glom nog en het blauw gedraaide glas gaf cachet aan de pot, waarin poeder zat.
Op ons kinderen had het een grote aantrekkingskracht, zeer tegen de zin van mijn vader. Toch konden mijn oudere zussen en broer er nauwelijks van afblijven. Je werd altijd gesnapt, want er bleef altijd wel poeder liggen op het zwarte marmer.

Vermoedelijk werd het gebruikt na het scheren, wanneer eerst het gezicht werd verfrist. Eerst werd hiervoor gebruik gemaakt van de aluinsteen. De aluinsteen werkte op de natte geschoren huid. Het dichtte de huid en minuscule bloedingen werden direct gestelpt. Later werd aluin in de ban gedaan omdat het minder hygiënisch zou zijn.

Wanneer er echt een puistje of een andere ongerechtigheid geraakt werd door het vlijmscherpe scheermes, waren er speciale stiften om de bloeding te stoppen. Ik heb het overigens mijn vader nooit zien gebruiken. Hij stond al vanaf zijn achtste jaar in de salon. Eerst op een stoof en alleen om de heren in te zepen, maar al vroeg werden de andere werkzaamheden aangeleerd. Messen slijpen, riemen en scheerzeep maken van dierlijk vet, omdat dit beter schuimde en het mes hielp om de baard er goed af te krijgen. Als laatste werd de techniek van het scheren bijgebracht.

Na het gezicht gereinigd te hebben, werd het gezicht droog gemaakt en kon er een welriekend poeder aangebracht worden, wat ook weer verzachtend werkte op de huid. Het poeder bevatte talk en een fragment olie om de huid droog en toch voldoende vettig te houden.

Het kappersvak bestond uit twee takken. het modelknippen en het barbierswerk of baardscheren. Dat tweede werk omvatte aandacht voor het gehele gezicht.

In het begin van de 20e eeuw, was er veel baardschurft in Nederland. Mijn grootvader sprong hier op in door grote kasten aan te schaffen, met laden, waar een ieder die dat wilde, zijn eigen scheerspullen kon opbergen. Op iedere lade stond de naam van de klant.

Vanuit deze situatie werd de hygiëne steeds verder meegenomen in het barbiers vak.  Er werd niet alleen schoner gewerkt met iedere keer schone doeken, maar met middelen om de bacteriën te doden en de huid fris te maken, een lichte gezichtsmassage en dat heerlijk ruikende poeder uit bovengenoemde glazen pot.

Mijn vader had ook veel zogenaamde buitenklanten, die hij een paar maal per week bezocht om te scheren.

Hij had moeite met de grote veranderingen. Mensen gingen zelf knippen en er kwamen na de oorlog scheerapparaten als Remmington en Philishave op de markt, waardoor dit werk voor de kapper verloren raakte. 

Gert Hemstede
Bennekom

Alle rechten voorbehouden