Verhaal

De krultang van mijn grootmoeder

Binnenkort komen er kapperspullen van mijn grootouders en ouders naar  “De Verhalenwerf”. Graag vertel ik daarom een paar verhalen bij de spullen. Over de kapperszaak Hemstede  heeft al eens een artikel in De Veenmol gestaan (2012 nr. 1) hier op deze site

Hieronder een afbeelding van de krultang van mijn grootmoeder Elisabeth Hemstede-Koster (1888-1978)

Krultang

Mijn grootmoeder was zelf ook kapster en de dochter van een barbier en coiffeur uit Winschoten. In 1913 huwde ze de Hoogeveense kapper Warner Hemstede en kregen een zaak aan de Hoofdstraat, toen nog De Huizen genoemd.

Mijn grootmoeder had in Winschoten als één van de eersten de onduleerslag goed onder de knie. Ik weet niet of deze tang daarvoor al werd gebruikt. Het onduleren betekende, het haar in golven te laten brengen. Dit werd ook wel met baarden gedaan. Denk bijvoorbeeld aan de golvende baard van Sinterklaas.
De krultang zoals wij deze tang noemden, gebruikte mijn grootmoeder nog lang voor zichzelf. Ik herinner me dat nog wel uit eind jaren vijftig en zestig.

Mijn grootmoeder heeft haar beroep in Hoogeveen alleen uitgeoefend tijdens de mobilisatie van de Eerste Wereldoorlog in 1914-1918. Op 31 juli 1914 werden veel jonge mannen opgeroepen voor een mobilisatie en een eventuele oorlog. Ook een groep jongens uit Hoogeveen en omstreken, waaronder grootvader Warner Hemstede gingen een onzekere tijd tegemoet en ver van huis. Ds. Bouma had de opgeroepen jongeren, die al vroeg met de trein weg moesten, met een speech op de Noordse Brug, nog een hart onder de riem gestoken. Mijn grootvader werd ingedeeld bij de wielrijders en werd gemobiliseerd in Baarle Nassau aan de grens met België.

Het jonge bedrijf kon dit gemis aan arbeidskracht eigenlijk niet hebben, waarop grootmoeder Betje de stoute schoenen aantrok en het werk in de kapper- en barbierszaak overnam. Dat lag in Hoogeveen nog niet zo makkelijk voor een getrouwde vrouw. In haar oude woonplaats Winschoten was dat heel anders. Een andere naam voor Winschoten in die tijd was Sodom. Waarschijnlijk vanwege de vele Joodse middenstanders daar, die zondags hun zaak hadden geopend.

Haar eerste klanten waren drie jongens uit Nieuwlande die op weg waren naar Assen voor een grote bijeenkomst van de Jongelingsverenigingen. Mijn grootmoeder vroeg: “Wensen jullie geschoren te worden?”  Waarop ze naar haar kast liep en een witte jas aantrok. Ze hadden raar opgekeken maar helemaal niets gezegd. Toen ze alle drie geschoren waren, zeiden ze: “Dank u wel juffrouw, dat hebt u meer gedaan”. “O, ja, dat hebt u goed geraden” zei grootmoeder Betje.

De volgende klant kwam binnen, het was dokter Meijeringh. Wederom trok grootmoeder Betje de kappersjas aan, en zei: “Neemt u plaats dokter. Hij ging zitten, hij keek mijn oma aan en zei: “Maar snijdt u me niet?” “Bent u als dokter bang voor een beetje bloed?”, vroeg Betje.
Toen hij geschoren was, zei hij: “Juffrouw als het druk is in de praktijk, mag ik u dan bellen?” Dat was goed.
Eigenlijk was dit het werk voor de bediende, die de buitenscheerklanten deed. Waarschijnlijk wilde ze aan de wens van de dokter tegemoetkomen, zodat hij haar arbeid verder kon rondbazuinen. Een beetje goede reclame voor de werkende vrouw in dit ambacht kon geen kwaad. Het was dichtbij en schoonvader Gerrit Hemstede werkte ook bij de dokter.
Zo werd een begin gemaakt met het opnieuw uitoefenen van het kappersvak door mijn grootmoeder. Later kwam neef Kasper Borst, kapper uit de Pekela, meehelpen in de zaak.

Regelmatig ging ik met mijn grootmoeder mee naar de Beatrixstichting. Daar las ze voor uit het evangelisatieblad de Elisabethbode. Voordat ze ging, moest het haar natuurlijk in de plooi zitten. Dan werd de tang heet gemaakt en daarna met een soort closetpapier omwonden, zodat het haar niet zou verbranden. Mijn grootmoeder had lang haar dat werd verdeeld in drie strengen.

Iedere streng werd apart behandeld en met de hete tang werd het haar in golven geknepen. Dit was toch wel een secuur en spannend werkje. Daarna werden de drie gegolfde strengen in elkaar gevlochten en als een knot op het achterhoofd samen gebonden. Later werd het haar van mijn grootmoeder minder en had ze een haarstukje van eigen haar gemaakt. Dit haarstukje kwam bij de knot. Ook toen werd op de schoonheid gelet. Het haar was het sieraad voor de vrouw, daar werd goede aandacht aan besteed.

Aan de zijkant zag je nog wel de golven in het haar, maar er ging een hoedje op en dan liepen we naar de Beatrixstichting, wat toen nog naast park Dwingeland lag. Daar las ze blinde en slechtziende ouderen voor. Op de achterkant van het blad stond een verhaal voor de jongeren, wat ze mij voorlas. Of we gingen naar de Openbare Leeszaal op de markt, wat ook heel interessant was en wat weer nieuwe verhalen gaf.

Gert Hemstede
Bennekom

Alle rechten voorbehouden