Verhaal

Melk en sperziebonen

Mijn werk als melkboer en controleur bij Lucas Aardenburg

 

Allard Rundervoort heeft als jongeman bij zijn vader gewerkt als melkboer. Maar bij Lucas Aardenburg bracht hij de rest van zijn loopbaan door.

Bekijk de filmopnames. Of lees de onderstaande tekst.

Allard Rundervoort verteld over zijn werk als melkboer en zijn 34 jarige loopbaan bij Lucas Aardenburg/IGLO/Unilever

Ik ben Allard Rundervoort. Ik ben geboren 26 maart in ‘43 in de Wethouder Robaardstraat 31. Ben dus geboren Hoogevener dus, 77 jaar. M’n werkzame leven bestond uit een aantal jaren melkboer zijn en daarna ben ik bij Lucas Aardenburg begonnen. Toen ik 15 was kwam ik van de ambachtsschool. Toen kon ik 15 gulden verdienen als timmerman. En mijn vader was melkboer en die had de wijk Wethouder Robaartstraat, Tuindorp. En die heeft toen tegen mij gezegd: “Allard, kom maar bij mij in de zaak, want er wordt genoeg gebouwd hier.”
Toen waren er plannen voor de Beukemastraat, Friesestraat. Het hele zuidgebeuren kwam eraan. Hij zegt: “Die 15 gulden kun je bij mij ook makkelijk verdienen.” Dus zodoende ben ik in de melk gekomen. Dat heb ik een jaar of 7 gedaan. Met veel plezier. Er zijn nu nog klanten die zeggen: “He, olde melkboer, hoe is’t ermee?” en dat vind ik hartstikke leuk!
Maar na een jaar of 6, dacht ik, moest ik in militaire dienst. Dus dat heb ik ook volbracht – 18 maanden als chauffeur bij de aan- en afvoertroepen. Ook hartstikke leuk geweest. LaCourtine noem maar op. Al die dingen meer. En daarna zijn wij begonnen, toen ik met verlof ging, in de Nije Nering. Daar kwam een winkel van Melboka, van Hoogeveen de melkhandel. En daar moest een zetbaas op. En ik had mijn middenstands- en mijn vakdiploma. Dat heb ik 2 jaar gedaan samen met mijn vrouw Ineke. Toen is de klad erin gekomen want de melkverkoop werd vrijgegeven en iedereen mocht melk verkopen. Dus de Spar en de Komas, die zat er ook, en nog een Blaak kruidenier, die gingen allemaal melk verkopen. Toen zakte de omzet en toen was het niet zo prettig meer en zijn we er na 2 jaar mee gestopt.
En toen ben ik naar Aardenburg gegaan. Ik had een klant in de Friesestraat en die werkte bij Aardenburg. Die heeft gemeld dat er een Assistent proces controleur werd gevraagd. Ik had geen enkel idee wat het allemaal betekende. Maar hij zei dat is een leuke baan, lekker vrij, kijk maar eens even.

Dus zodoende ben ik bij Aardenburg begonnen. Gesolliciteerd, een paar maandagmiddagen waren we gesloten met de winkel, ben ik daar wezen kijken wat het inhield en dus gevraagd wat de vooruitzichten waren enzovoort. En zodoende ben ik bij Lucas Aardenburg begonnen in ‘68. Het was, ik dacht, 30 december, dat was op een maandag. Eind van het jaar in ieder geval.

Nou, ik wist niet wat me overkwam! Want zaterdags vrij en al die dingen meer. Zaterdagmiddag vrij, dat kenden we natuurlijk niet. Want toen ik melkboer was bij ‘mien pa’ was het gewoon 6 dagen werken van ‘s morgens 5 tot ’s avonds half 7. Dus toen kreeg ik wat meer vrijheid daar. En dat was wel prettig!

Ik ben begonnen daar in de kwaliteitsdienst in een ploeg van 5 man. Er waren 2 ploegen: 2 productieploegen en 2 ploegen kwaliteitsdienst. En dat heb ik een jaar of 7 gedaan in de fabriek, 8 dacht ik. Daarna heb ik vele jaren het versproduct gecontroleerd.

En toen hebben ze mij gevraagd of ik niet het veld in wou. Controle van spinazievelden, doperwten, andijvie, kervel, noem maar op. Al die gewassen die verbouwd werden.

Dan ging ik ’s morgens om 4 uur uit bed en om 5 uur in de auto en om 6 uur zaten we al in de polder, dan werd daar geoogst. Dan vlogen we eerst door het veld heen om te kijken of het goed was. En dan zei ik: “Jongens, gooi de maaibalk er maar in!” en dan werd er geoogst. Want om 7 uur moesten de wagens, van toentertijd Kreuze uit Balkbrug, aan de fabriek staan. Want dan moest het verwerkt worden daar. En zo is het begonnen.
Later ben ik in de copack afdeling begonnen. Dat was dus een afdeling die controleerden bij derden. Er waren natuurlijk allerlei firma’s die producten voor ons produceerden. En daar moest natuurlijk ook een beetje controle op wezen. Unilever was wat dat betreft vrij scherp, want die zei dan: “Als we vandaag produceren bij iemand, dan moeten we weten wat voor bedrijf het is, hoe het werkt en of de hygiëne goed is en al die dingen meer. Dan ging ik eerst zo’n bedrijf bekijken voordat er een order geplaatst werd. En waar dan – ik noem maar wat – de tl-buis niet afgeschermd was met een kap, dan ging het gewoon niet door. Dan werd er niet geproduceerd voor ons en al dat soort dingen meer.
Ik heb een leuke baan gehad, leuke collega’s. We hebben altijd leuk met elkaar kunnen werken, met 5 man in een ploeg. Ik kan rustig stellen dat we met zijn vijven altijd het werk hebben gedaan. Of de chef nou de afvalbak leeggooide of iemand van de lijncontrole of zo, dat maakt niet uit. Met 5 man maakten we het werk af en we gingen praktisch tegelijk naar huis, de boel netjes achterlatend.

En was er na het werk nog iets van een personeelsvereniging?

Er was een personeelsvereniging waar praktisch iedereen lid van was. Er werd van alles georganiseerd. Er waren bingo-avonden, Sinterklaasfeest voor de kinderen. Ik werkte natuurlijk vrij laat daar – ik was 25 – maar al onze kinderen zijn daar ook nog op Sinterklaasfeest geweest.
Allerlei leuke dingen. In die tijd waren er ook nog de Engelandreizen waar je voor uitgenodigd kon worden. En dan gingen we met een hele groep Nederlanders – en niet alleen van Aardenburg, maar ook Unox, Van de Berg en Jurgens, Lever zeep, noem maar op. Dan gingen we met de hele kluit op uitnodiging van de Engelse Unilever een weekje naar Engeland. En dat was groot feest, want daar kwam je niet zo gauw hè? Dan gingen we door Londen heen, alle leuke bezienswaardigheden bekijken: Buckingham Palace, noem maar op, Trafalgar Square, Hyde Park en niet te vergeten de Speakerscorner. Dat was echt een uitje. En dan het jaar daarop kwamen de Engelsen op uitnodiging van Unilever naar Nederland. En die mochten hier dan naar Volendam, Urk – weet ik veel - Giethoorn noem maar op. Dat soort dingen, dat waren wel leuke dingen.

Er werkten bij Lucas Aardenburg veel mensen uit de omgeving, maar werkten er ook buitenlanders in die tijd?

In het begin dat ik er was, in ’68, ik denk in de jaren zeventig, kwamen de Spanjaarden. Dat was een hele groep. Die hebben ze eerst in Ten Arlo ondergebracht. Daar was toen nog zo’n barakkenkamp. Later hebben ze het spul overgebracht naar de Beatrix, aan de Bentinckslaan. En toen was dat een beetje gebeurd. De meeste Spanjaarden die werkten met hun beiden, de vrouw en de man. En die waren op de centen, prima. Die hebben dus zoveel gespaard, dat ze terug konden naar Spanje om dan een eigen bedrijf te beginnen, een taxibedrijf of wat dan ook, of om een eigen huisje te kopen. Er zijn nog wel een paar blijven hangen, want ik ken er nog wel een paar die met een Nederlandse vrouw getrouwd zijn, toen een Nederlands meisje.
En daarna kwamen de Turken, hè. Nou ja, in die periode werkten er heel veel. Als je nagaat dat er bussen uit Hardenberg, Schoonebeek kwamen. Overal kwamen bussen vandaan met mensen om bij Aardenburg te werken. Toen ik er in ’68 kwam werken, was er in het seizoen 1200 man.
En in de jaren ’90, ik weet niet precies meer wanneer, is de boel dicht gegaan. Toen werkten er nog 350 man. En daar zijn een groot deel van naar huis gestuurd, met een goede regeling, een deel ging naar het hoofdkantoor in Utrecht, en een deel ging naar Oss, Unox, een groot gedeelte naar Hellendoorn naar de ijsfabriek (voorheen Caraco – later Ola). Nu produceren ze daar alleen maar Ben&Jerry’s. Wij maakten daar vroeger vele ijssoorten, het meest bekend is het raketje.

Kunt u mij nog wat anekdotes vertellen die u te binnen schieten, van uw tijd bij Lukas Aardenburg?

Nou ja.. anekdotes, anekdotes.. We werden wel eens een keer voor het lapje gehouden daar. We waren in het begin net politieagenten die moesten alles goed in de gaten houden. Maar dat is later veranderd. Toen was de productietoezichthouder van desbetreffende productielijn in praktijk verantwoordelijk voor de kwaliteit. Daarvoor was het de kwaliteitsdienst en was het :‘Als de kwaliteitsdienst het niet ziet is het goed’. Dat kan natuurlijk niet, want het gaat de productieleider om productie en de kwaliteitsdienst om kwaliteit. Er was tweestrijd onder de productieploegen. Als de ene productieploeg 100 ton draaide, probeerde de andere 105 ton te produceren, ik noem maar wat. De rivaliteit was er wel en dat was eigenlijk niet zo goed.
Maar, er waren dan wel dingen waarvan je dacht, hoe is het in Godsnaam mogelijk? Ik vergeet het nooit: de heer Aardenburg kwam geregeld in de fabriek om te informeren of alles goed ging. En wij hadden als kwaliteitsdienst een glazen hok midden in de fabriek van waaruit we onze controles deden. Daar hadden we borden aan de kant waar de producten opstonden, de tijd en dan werd er aangegeven met groene kruisjes of het product in orde was. Ik noem maar wat: bami goreng, 8 uur ’s morgens, goed, groen kruisje. Maar kwam er nou een geel kruisje, of oranje, dan mankeerde er wat aan. Dan was de menging van de bami niet goed, ik noem maar wat. Maar kwam er een rood kruis, dan was er een blokkade. En dat wilde de toezichthouder niet, daar zaten ze niet op te wachten. Want als er wat geblokkeerd werd, dan kostte dat productie.
We hebben wel eens gehad dat er toezichthouders waren die probeerden de boel een beetje te vernachelen. Dan zeiden we: ‘Dat moet je nakijken’ - en zij: ‘Het is nagekeken’ en dan bleek dat dat niet zo was. En dan krijg je natuurlijk rare situaties. Dar zat niemand op te wachten en dan kwam iedereen in het verweer. Ik heb een keer meegemaakt dat de desbetreffende baas van de kwaliteitsdienst, dus mijn chef, zei: “Jongens, we controleren niets meer. Als het zo moet, blokkeren we alles wat er nu geproduceerd wordt. Zo kunnen we niet werken.”
Toen was brak de hel los. Toen kwam Aardenburg en iedereen erbij en dat moest weer goed worden gepraat. En dan moest diegene die dat geflikt had op het matje komen. Iedereen voelde zich verantwoordelijk voor zijn product en ook voor de kwaliteit. Niet alleen de hoeveelheid, maar ook de kwaliteit.
Maar we hebben ook wel eens gehad dat ze buiten, ik vergeet het nooit, in de sperziebonentijd, dan kwamen er vrachtwagens vol bonen af en aan. En die gingen door de punters – die werden gepunt en gecontroleerd. En dan werden ze in de fabriek geblancheerd, gekoeld en dan kwamen ze op de band. Dan stonden er nog 1 of 2 man bij te kijken of er nog punten of iets anders te vinden was. Maar dan gooiden ze buiten zoveel bonen in de punters, dan kwamen ze uit de blancheer met zoveel op de band, dat het er gewoon overheen viel. Dat ging natuurlijk niet, dus stond er een van de schoonmaakdienst die niks anders deed dan goede bonen opscheppen en in de afvalbak kieperen. Want wat op de grond viel, mocht alleen in de afvalbak.
Toen kwam Aardenburg, wij noemden hem altijd mijnheer Leo, bij ons informeren: “Is er nog iets bijzonders?” "Nou mijnheer, moet u maar eens even meegaan, want dit vind ik wel zo raar." Ik zeg: “Bij ons thuis werd er geen eten weggegooid, dat was zonde”. Ik zeg: “Ze staan hier te scheppen in de bonen omdat ze erbuiten zoveel ingooien.” Nou, die wist gelijk de toezichthouder te vinden die verantwoordelijk was. Dat was gelijk klaar. Nou maar minder vol.

Wat mij opviel, u zei: de bonen komen eraan, en dan gingen ze naar de punters. Dat was toen. Maar ik begreep dat vroeger, toen u nog in de Wethouder Robaardstraat woonde, u de bonen met de hand puntte?

Ja, maar dat waren speksnijbonen. Dat zijn van die lange. Kijk, die moest je dan draden, daar heb je geen machine voor. Dat heb ik als kind nog gedaan. Dan kon je wat zakjes met snijbonen halen, die kon je dan punten en daar kreeg je dan geld voor. Ja, dat was een mooie tijd. Ik heb er nog een foto van dat Gerrit, Jan en ik, mijn broers, allemaal zaten te punten. En dan hadden we 22 gulden in een paar weken tijd. Mijn vader had van een kinderwagenonderstel een karretje gemaakt waarmee wij de zakjes bonen konden halen bij Aardenburg. Van de verdiende centjes konden wij op vakantie.

Deden veel mensen dat bij u in de buurt?

Nou, heel veel.. heel veel! Er waren bij ons in de wijk, in de tijd dat ik nog melkboer was, of later dan – nadat wij dat zelf hadden gedaan – veel mensen die dat deden. Er waren een heleboel mensen, die hadden het niet te breed. Die zaten ’s winters op de steun. Grote gezinnen. Dan was Aardenburg een uitkomst, want dan konden ze wat bijverdienen.
Later is dat met wortelen gegaan, want die kun je ook niet machinaal punten. Er waren mensen, die zaten weken in de wortelen, en die verdienden daar een mooie cent bij. Dat was, sociaal gezien, voor een hele grote groep mensen een uitkomst. Dan kon er weer wat gekocht worden. Ja, dat was een mooie tijd, een hele mooie tijd.
En later, toen ik in de copack was gekomen, dan ging je naar bedrijven toe die voor ons produceerden. Toen kwamen we een keer bladspinazie tekort. De baas zei: “Je moet naar Italië, daar kunnen ze spinazie draaien van de koude grond.” Bladspinazie, dat was toen in, hè?
Toen ben ik met een monteur een paar weken in Italië geweest. Alle machines werden daar naartoe gebracht door Kreuze toentertijd. Die werden opgesteld, wasbakken erbij, de hele mikmak meer. Dat vergeet ik nooit meer.
Daar had ik ook geregeld ruzie met die gasten, met die directeur. Want dan kwam er een mooie partij spinazie binnen. En dan zei ik: “Die is voor Iglo Nederland”. Dat was dan binnen, want er lag een halve meter sneeuw waar wij waren. Maar 100 kilometer verder, daar werd gewoon geoogst van de koude grond. En dan werd er een vrachtwagen met bladspinazie in een grote loods gekiept, dat waren meerdere partijen van verschillende percelen. Daar zaten dan partijen bij met wat geel blad en bruin blad en al die dingen meer. En dan mengden ze met zo’n shovel de spinazie door elkaar en dachten ze dat dat goed voor ons was. Maar dat was niet zo! Dan keurde ik de boel weer af en dan moest ik weer bellen met Utrecht en een gedoe allemaal. Maar wel spannend en wel leuk.
Ik moest proberen om 300 ton bij elkaar te krijgen en dat hebben we uiteindelijk toch voor elkaar gekregen.

Dat was spinazie. Wat me van Aardenburg nog bijstaat, is de nitriet kwestie. Was u daar toen ook nog bij betrokken? Wat kunt u zich daar nog van herinneren?

Het was op een zaterdagmorgen. Onze zoon Erik had gevoetbald, volgens mij in Hardenberg of zo. We zaten in de auto en het nieuws was op de radio. Door het eten van, volgens mij, nasi goreng van Iglo was iemand ziek geworden en er was iemand overleden. Toen zei ik tegen mijn vrouw: “Dat kost ons de kop.”
Gelijk naar Hoogeveen en mijn baas gebeld, hoofd van de kwaliteitsdienst. Ik zeg: “Wat doen we?” Hij zegt: “Ik heb van alles al nagetrokken. Er is in Slagharen een winkel die heeft nasi goreng van die dagcode. Wil jij daar naartoe rijden? Koop de hele partij maar op. Dus toen heb ik 10 pak nasi uit Slagharen gehaald. Toen zei de winkelier, hij zegt: “Daar mankeert niks aan hoor, want dat heb ik voor die en die datum gekocht.” “Maakt niks uit, meenemen.” Dat liep helemaal verkeerd.
Dus toen hebben wij op een gegeven moment met een hele club van Lukas Aardenburg, ook vrijwilligers, naar Nuland geweest, in een Van der Valk hotel, en toen hebben we in Brabant en Limburg, alle producten van Iglo wat in vrieskasten stond, allemaal opgehaald. En dat is allemaal vernietigd. Dat heeft onvoorstelbaar veel geld gekost. Ik weet niet hoe dat verder afgelopen is.

In feite was dat een fout van de vervoerder, zeg maar, en dat heeft een slechte naam opgeleverd voor diepvriesproducten.

En dat heeft ons veel geld gekost en omzet. En een slechte naam op een gegeven moment voor Iglo. Dat was een slechte zaak. Maar goed, dat is allemaal weer goed gekomen. Alleen, ja, de tent moest dicht in Hoogeveen. En dat was natuurlijk hartstikke zonde! We zaten, naar mijn mening hoor, gewoon op de verkeerde plek. Midden in de plaats. Wij oogsten toen, wij dorsten toen zelf de doperwten en de tuinbonen. Nou, dat rook je altijd. Als wij soep kookten rook je dat ook.
Maar in de Wethouder Robaardstraat waren allemaal mensen die moesten het geld met de handen verdienen. Daar werkten zoveel man, er aten zoveel gezinnen van Aardenburg, daar maakten zij geen opmerking over. Maar je hoeft maar iemand van buiten te hebben die zegt van: “Wat ruik ik? Afval?”
Ja, we hadden ook een zuiveringsinstallatie op het terrein. En dat rook je. We zeefden alle vaste stoffen af via zeven en die gingen naar de vuilcontainer. En dan rook je wat, want dat was niet houdbaar. Als wij hier in Hoogeveen, daar ben ik van overtuigd, op het industrieterrein gezeten hadden , dan had Aardenburg waarschijnlijk nog bestaan.

Wat nu nog aan Aardenburg doet denken, dat is die wijk, die heet Aardenburg. Er zijn zelfs straatnamen vernoemd naar mensen die bij Aardenburg gewerkt hebben, volgens mij.

Onze zoon, die woont op de plek waar wij onze pilot plant, onze proeffabriek, hadden.

Goed. Ik wil u hartelijk bedanken voor dit interview!

Graag gedaan! Nou, als je nog wat wilt weten, dan kom je maar weer aan. Altijd goed!