Verhaal

Trijny van der Hulst

Herinneringen aan de Beatrixstichting

Trijny van der Hulst 2

Trijny van der Hulst

Trijny werd achtergelaten in het armenwerkhuis

Haar jeugd is zijn zachtst gezegd bijzonder te noemen. Trijny van der Hulst groeide vanaf haar vierde op in het armenwerkhuis in Hoogeveen en herinnert zich nog veel van die tijd. Angst, verdriet en eenzaamheid speelden een grote rol, maar anno 2018 is ze een sterke, positieve vrouw die haar verhaal graag deelt. Ik vertel het om te verwerken. Soms kan ik zelf ook bijna niet geloven dat ik het heb meegemaakt, maar het heeft me gevormd. 

Trijny van der Hulst is geboren in 1932. De Hoogeveense weet inmiddels dat ze een broer en een aantal halfbroers en -zussen heeft, maar als kleuter dacht ze enig kind te zijn. Mijn moeder overleed toen ik twee was. Later heb ik begrepen dat ze overleed bij de geboorte van mijn broertje, die eerst door een tante werd verzorgd en later naar een pleeggezin is gebracht. Tot mijn 44ste wist ik niet dat hij bestond. Twee halfbroers blijken ook een tijdje in het armenwerkhuis gewoond te hebben, zonder dat ik het wist. Mijn vader bracht me er naar toe en heeft me nooit bezocht. De enige familie die ik wel eens zag, waren mijn opa en opoe in Nieuweroord, de ouders van mijn vader. Daar ging ik met de tram naartoe. Opoe zei dat mijn vader mij nooit had gemogen. Hij had gezegd dat ik de duvel in de ogen had. Zij dacht dat hij misschien iets van mijn moeder in mij zag en dat moeilijk vond. 

Vanaf haar vierde woonde ze in het armenwerkhuis, dat destijds gevestigd was aan het huidige Van Echtenplein. Op de plek waar Hoogeveners zich nu vermaken in de bioscoop of grand café Het Postkantoor, stond destijds het huis waar arme kinderen én ouderen werden opgevangen. Het straatje dat het Van Echtenplein met de grote Kerkstraat verbindt, heet nu het Armenwerkhuispad. 

Trijny herinnert zich nog de boerderij achter het armenwerkhuis. Ik plaste s nachts wel eens in bed en kreeg dan straf. Dan werd ik op de hooiberg gezet, in het donker. Ik hoorde de geluiden van de dieren en zag glinsterende ogen. Dat bleken poezen te zijn, maar ik weet nog dat ik daar heel bang voor was. Vaak werd ik daarna nog in het varkenshok gezet en vervolgens in koud water. Dat moest voorkomen dat ik weer in bed zou plassen, maar de volgende nacht was ik natuurlijk al weer nat. 

Beatrix stichting 

Toen het oorspronkelijke armenwerkhuis niet meer voldeed, verhuisde de instelling naar het gebouw van de Beatrix stichting. Dat gebouw kennen veel Hoogeveners als de voormalige bibliotheek aan de Bentinckslaan. Hier heeft Trijny de meeste herinneringen aan, maar vrolijk zijn ze niet. Bij de geringste overtreding’ kreeg ze straf en die bestond meestal uit opsluiting in een kast. Ook werd haar eens verboden te logeren bij haar opa en opoe in Nieuweroord, wat haar erg verdrietig maakte. Ze herinnert zich verder dat ze een slechte eter was en dat dit haar in grote moeilijkheden bracht. Het huis werd geleid door een echtpaar. Zij lieten zich vader en moeder’ noemen, maar van liefdevolle ouders was volgens Trijny geen sprake. We aten vooral aardappels en groente, vaak stamppotten. Als ik het niet snel genoeg had opgegeten, werd de pap alvast opgeschept, over de aardappels heen. Ik vond dat  zo vies dat ik er wel eens van moest overgeven. Daar werd het nog erger van, want dan werd ik gedwongen om ook mijn eigen braaksel op te eten. Tot op de dag van vandaag heb ik een vreselijke hekel aan griesmeelpap, dat brengt teveel nare herinneringen naar boven. Ik werd ook regelmatig zonder eten naar bed gestuurd omdat ik volgens vader en moeder iets verkeerd had gedaan, al was voor mij nooit duidelijk wanneer je straf kreeg. 

Kinderen van haar leeftijd waren er nauwelijks en de ouders in het huis waren over het algemeen in de war. In die tijd werd niet naar anderen omgekeken, zoals nu. Er werd op ons neergekeken omdat we arm waren. De kinderen van de Beatrix stichting gingen naar de Hervormde school aan de Bentinckslaan, maar daar had ik geen vriendjes en vriendinnetjes. We waren anders gekleed dan zij, we droegen een schort en klompen, en daaraan kon iedereen altijd zien dat je arm was. We moesten op zondag vaak twee keer naar de kerk en naar zondagsschool en ook daar was voor iedereen zichtbaar dat we van de Beatrix stichting waren. We droegen allemaal dezelfde kleren, het zondagse goed dat na het kerkbezoek meteen uitgetrokken moest worden, en zaten naast elkaar in de kerkbanken. Na schooltijd moesten we altijd meteen naar huis. Dan werd er voorgelezen, moesten we klusjes doen of gingen we wandelen. Contact met andere kinderen was ook daardoor niet mogelijk. 

Ouderen 

Hoewel veel ouderen in het huis dement waren en in andere ruimtes aten en sliepen, had de kleine Trijny met hen wel contact. Vanaf mijn twaalfde hielp ik mee in de verzorging. Dat betekende dat ik de ouderen naar boven moest brengen en op zondag kleedde ik ze aan voordat we naar de kerk gingen. Ik heb ook vaak meegemaakt dat mensen overleden en dat maakte wel indruk. Ik herinner me dat een oude vrouw zich niet goed voelde en dat moeder haar tegen een kast aanzette in plaats van op bed legde. De oude vrouw overleed zittend tegen die kast en ik kon maar niet begrijpen waarom ze niet op bed had mogen sterven. Als jong meisje moest ik ook eens een oude vrouw afleggen, dat was de eerste keer dat ik een dode zag. Deze vrouw had lang haar dat ik wilde vlechten, maar ik wist natuurlijk niet dat haar hoofd naar voren zou vallen. Daar ben ik enorm van geschrokken. Ik vergeet ook nooit meer dat ik bij een oude man langs ging voordat ik naar de kerk ging. Hij was ziek en ik zei tegen hem dat ik na de kerkdienst bij hem op bezoek zou komen. Hij vroeg of ik eerst nog een lied voor hem wilde zingen: Ik zal dan gedurig bij U zijn. Ik zong het snel en ging daarna naar de kerk. Toen ik thuis kwam, was de man overleden.
Ik vind het nog steeds vreselijk als ik terugdenk aan de manier waarop ze met ouderen omgingen, terwijl het christelijke mensen waren. Later kreeg ik heel veel moeite met het geloof en naar de kerk ga ik al heel lang niet meer. Ik kon het gedrag van deze mensen niet verenigen met het christelijk geloof dat ze zo belangrijk vonden. Wij moesten altijd de psalmversjes uit ons hoofd leren en opzeggen, twee keer per dag naar de kerk en naar de zondagsschool, terwijl er in dat huis vreselijke dingen gebeurden. Daar heb ik nog steeds veel moeite mee.
 

Tikje ondeugend 

Heel af en toe was er ruimte voor plezier. Zoals die keer dat één van de oudere vrouwen in het huis een nieuwe bril mocht uitzoeken. Trijny: De brillen van mensen die overleden waren, werden bewaard. Als iemand een andere bril nodig had, kwam die brillen tevoorschijn om er één uit te kiezen. Ze paste er een paar en zei uiteindelijk: deze neem ik. Toen ik de bril bekeek, zag ik dat er geen glazen in zaten. Dat waren kleine momentjes waarop je plezier had. Ik ben ook mijn hele jeugd wel blijven lachen, misschien heeft dat me er doorheen gesleept.’  
Enige ruimte voor ondeugd was er ook. We kregen altijd een paar cent voor de collecte in de kerk, maar deden maar een deel in de collectezak. Van de rest kochten we knikkers. We deden soms spelletjes, maar we moesten ook klusjes doen. Meisjes moesten natuurlijk leren breien en we moesten schoenen poetsen. De schoenen van vader en de moeder en onze eigen zondagse schoenen. 

In die schoenen heeft Trijny ook wel eens geplast, omdat ze ´s avonds haar kamer niet kon verlaten om naar de wc te gaan. De deur zat op slot en om 22.30 uur kwam er nog personeel langs om ons naar de wc te laten gaan. Soms kwamen ze later en als ik dan nodig moest plassen, klopte ik op de deur. Dat hielp niet en toen heb ik eens in een schoen geplast en de inhoud uit het raam gegooid. De vader en moeder zaten buiten op een bankje, dus daar heb ik flink straf voor gekregen. De dagelijkse leiding was in handen van vader en moeder, maar er was ook een bestuur. Deze regenten vergaderden in het huis en Trijny moest de regentenkamer na afloop schoonmaken. Er stond een blik met koekjes en ik besloot er één te nemen. Dat kwam me duur te staan, want ze bleken geteld te zijn.'    

Tijdelijk op andere locaties 

In de Tweede Wereldoorlog werd de bovenverdieping van het huis enige tijd bewoond door Duitsers en later werd zelfs het hele huis gevorderd. De oorspronkelijke bewoners verhuisden toen naar het klooster aan de Brinkstraat. Daar had Trijny het veel leuker. Ik vond de paters en broeders aardig en heb er een leuke tijd gehad. Daarna zijn we verhuisd naar een gebouw aan de Schutstraat, op de plek waar nu TVM staat. Het gebouw hoorde bij het ziekenhuis, dat ernaast stond. Er werden TBC-patiënten verpleegd, maar in de oorlog werden er onderduikers opgevangen door dokter Van der Velde. Ook wij konden er terecht. Ik was toen nog het enige kind, alle andere kinderen waren bij familie ondergebracht. Na de oorlog werd het gebouw van de Beatrix stichting schoongemaakt en konden wij er weer wonen. We kregen toen wel een andere vader en moeder, mensen uit Wageningen. Zij waren nog strenger dan de eerste vader en moeder. 

Verkering 

De laatste jaren was er overigens wel een lichtpuntje in het leven van Trijny van der Hulst: ze had een jongen leren kennen en kreeg verkering met hem. We mochten elkaar natuurlijk niet vaak zien en ik moest vroeg thuis zijn, maar de liefde bleef. Vader en moeder maakten het hem niet gemakkelijk. Ze deden vervelend tegen hem of deden de deuren voor hem op slot. Mijn vriend ging naar de Apostolische kerk, maar zei dat ik niet naar die kerk hoefde te gaan. Toch zei vader altijd tegen mij dat twee geloven op een kussen niet goed was. Daardoor heb ik wel eens gedacht dat ik het uit moest maken, maar als ik mijn vriend dan weer zag, was ik verkocht. Hij was te leuk om de verkering uit te maken en ik ben ook met hem getrouwd. Pas na tien jaar verkering, ik was toen 27. Ik werkte in het huis, deed het huishouden en verzorgde de ouderen. Ik ben nog wel eens een vrouw tegengekomen die er had gewerkt als dienstbode. Zij had andere herinneringen dan ik, omdat het haar werk was. Ze werd ervoor betaald, ik niet. Ik woonde er en had geen keus. Later ben ik in de huishouding gaan werken bij mensen thuis. Die families waren heel goed voor me, net als mijn schoonouders. Toen ik trouwde, konden we de auto van de familie Kajan gebruiken als trouwauto. Meneer Kajan was tandarts en ik werkte met veel plezier bij hun in de huishouding. 

Bij haar latere schoonouders vond ze alsnog de liefde van ouders, al durfde Trijny niet te vertellen wat zij meemaakte. Je mocht er ook niet over praten, daar werd altijd voor gewaarschuwd. Ik weet nog dat ik bij hen thuis kwam nadat ik weer eens geen eten had  gekregen omdat ik iets verkeerd had gedaan. De moeder van mijn vriend vroeg of ik zin had ik gebakken aardappeltjes. Het rook heerlijk, maar ik zei ik in het huis al genoeg gegeten had. Ook jaren later, toen we al getrouwd waren, durfde ik mijn schoonouders niet te vertellen hoe mijn jeugd was geweest. Tot 1954 heb ik in het huis gewoond, ik was toen dus al 22. Nu vind ik het tijd om er wel over te vertellen, ik moet het een plekje geven. 

De behoefte om te geven 

Trijny van der Hulst verzucht tijdens het vertellen van haar verhaal regelmatig: Het is niet te geloven.’ Het heeft haar gevormd, maar beslist niet bitter gemaakt. Toen ze trouwde was er geen familie van haar aanwezig op de bruiloft, maar van anderen hoorde ze dat haar vader aan de overkant van de straat had gestaan om zijn dochter als bruid te zien. Toen hij overleed, ben ik wel naar de begrafenis geweest. Het was toch mijn vader en ik wilde er later geen spijt van hebben. Ik ben ook blij dat ik dat gedaan heb.' 

Op de begrafenis van een halfbroer leerde ze haar volle broer kennen, het broertje dat geboren werd toen Trijny twee jaar oud was. Met zijn kinderen heeft ze tot op de dag van vandaag intensief contact. Trijny woont nu in De Vecht, een locatie van woonzorgcentrum Jannes van der Sleedenhuis, en de kinderen van haar broer hebben haar helpen verhuizen. Ze doen alles voor me.’  

Op haar nieuwe adres ontmoet ze opnieuw ouderen die in de war zijn en Trijny haalt veel voldoening uit het contact met hen. Vroeger praatte ik met niemand, omdat niemand zich om mij bekommerde. Nu praat ik met iedereen, een vriendelijk woord is voor iedereen belangrijk. Ik merk dat ik graag geef wat ik zelf als kind heb moeten missen en ik ben blij dat ik dat kan. Contact met lieve verzorgers, vrijwilligers en andere bewoners, daar word ik blij van.’  

Norma Riemersma

Media