Verhaal

Melkbussen op de bok tillen

Het is voor de jongere generaties nauwelijks meer voor te stellen dat er rond Hoogeveen in het verleden heel veel waterwegen waren, waarlangs bijna alles werd vervoerd.

Jan Stoefzand

Jan Stoefzand is de zoon van een pullevaarder. Foto Mariëlle de Vries

Zeker tot aan de jaren tachtig van de vorige eeuw werden er nog melkbussen van boeren die aan de waterwegen woonden vervoerd door pullevaarders. Zij brachten het melk van de boer naar de melkfabriek in Hoogeveen. Jan Stoefzand uit Noordscheschut maakte het van dichtbij mee. Zijn vader Albert was naast boer ook pullevaarder.
"Het water was in Hoogeveen en omgeving verdeeld in achtentwintig wijken,” vertelt Stoefzand. "Het werd eerst gebruikt om veen te vervoeren en toen dat er niet meer was werden de veenarbeiders keuterboertjes of landarbeiders of ze gingen bij Philips werken of bij Aardenburg, de voorloper van Unilever.”

Boerderijtjes werden gebouwd langs het water. "Er waren nauwelijks auto’s en het enige vervoer dat mogelijk was waren paard en wagen of een praam. Wij gingen op enig moment verhuizen naar de Achteromsedijk. Bij dat huis kon je niet met de praam komen. Die lag aan de dijk. Het huis stond verderop. Mijn vader wilde uiteindelijk ook verder met paard en wagen. Het pullevaren was erg zwaar werk. Hij had een vaste route en hij haalde me regelmatig op. Ik was toen een ventje van zeven, acht, negen, tien jaar. Ik kroop dan voor in de pullebok. Zo werden de pramen genoemd. Mijn vader duwde de boot voort met een stok.
”Bij elke boerderij moest de pullevaarder de melkbussen op de bok tillen. De kleine Jan mocht soms meehelpen. "Je had boeren die een heleboel melkbussen langs de kant hadden staan, die niet vol waren. Dat leek dan heel wat, maar stelde niet zoveel voor. En sommige boeren hadden maar een paar bussen en die waren tot de nok toe gevuld. Mij vader wist precies welke ik wel en niet kon tillen. Bij sommige zei hij dan: doe maar niet. Die waren gewoon te zwaar voor een kereltje van mijn leeftijd.”

Zodra alle melk was opgehaald bij de boeren werd er koers gezet naar de melkfabriek in Hoogeveen. "Daar werd de melk uitgeladen en getest op onder andere het vetgehalte. Hoe hoger dat gehalte, hoe beter de melk was en hoe meer de boer betaald kreeg. De boeren haalden het geld niet zelf op maar dat werd in een envelop in de melkbussen gedaan. Elke melkbus had een nummer. De pullevaarder en de melkfabriek wisten welk nummer bij welke boer hoorde en zo kwam het geld op de juiste plek terecht. Ik heb nooit gehoord dat dat fout is gegaan of dat er geld verdween.”

Veevoer

Het pullevaren was geen goedbetaalde baan. "Boeren hadden zelf vaak geen tijd om naar Hoogeveen te gaan om bijvoorbeeld kunstmest of veevoer bij de agrarische groothandel te halen. Daarom gaven ze dan een bestelling op bij de pullevaarders die dat vervolgens mee terugnamen naar de boer. Zo kon mijn vader bijvoorbeeld wat extra geld verdienen en had hij zowel op de heen- als terugweg vracht op zijn pullebok. Hij had een behoorlijke dagtaak aan het pullevaren. Hij begon om zeven uur, half acht al te varen en was dan tot dik in de middag bezig. Al met al liep hij zeker vijfentwintig kilometer op een dag.”

Een keer per jaar gingen de boeren zelf naar Hoogeveen om het geld bij de melkfabriek te innen. "Dat was bij het uitbetalen van de toeslagen. Dat gebeurde een keer per jaar en dan ging de hele familie mee en werd er een uitstapje van gemaakt. Dan werden er ook nieuwe dingen aangeschaft in Hoogeveen. Daar komen de Pulledagen ook vandaan. Mijn vader is begin jaren zestig gestopt met het pullevaren. Het was toen al een aflopende zaak. Overal werden wijken gedempt en in de jaren tachtig was het echt voorbij. Mijn vader is zich uiteindelijk gaan toeleggen op de boerderij.”

Dit verhaal kwam tot stand met medewerking van de Verhalenwerf: Museum De 5000 Morgen en de Bibliotheek werken samen aan de Verhalenwerf.

Mariëlle de Vries

Krant van Hoogeveen, 02 augustus 2016