Verhaal

Even dat gevoel van vroeger

Els van der Weide-Klooster (83) is dochter van de Hoogeveense hoefsmid Evert Klooster.

Els van der Weide-Klooster

Els van der Weide-Klooster toont een foto van haar ouders. Foto: Mariëlle de Vries

Haar vader bestierde samen met zijn jongere broer Roelof in de vorige eeuw een smederij aan de Alteveerstraat in Hoogeveen.
“Mijn vader stierf, toen ik twee jaar oud was”, vertelt mevrouw van der Weide-Klooster. “Aan een longontsteking. Ik heb hem niet gekend. Zijn broer Roelof ging na zijn overlijden alleen door met de smederij. Mijn vader had de opleiding tot smid in Amersfoort gedaan. Een echte ambachtsopleiding. Alle vijf de kinderen zijn in de smederij geboren. Ook mijn jongste broer, van wie mijn moeder zwanger was toen vader overleed.”
“Omdat mijn oom de smederij overnam ging hij daar met zijn gezin wonen. Wij zijn verhuisd naar de Coevorderstraat. Daar ben ik groot geworden.” Ondanks dat ze niet meer in de smederij woonde kreeg de Hoogeveense veel mee van het vak van haar vader. “Als mijn moeder de handen vrij wilde hebben om dingen in het huishouden te doen bijvoorbeeld, dan mochten mijn broer en ik de lesboeken van vader in kijken. Daarin stonden plaatjes van paarden en de verschillende standen van de hoeven en de benen. En er was ook een boek en daar kon je de ingewanden van de paarden verschuiven. Wij vonden het prachtig om daarin te kijken. Ook hadden we nog heel veel hoefijzers in huis en daar waren we ook vaak mee in de weer. Je had ze bijvoorbeeld met verschillende krommingenen dan keken we naar de verschillen.”

Melkvaarders
Vroeger werd bijna al het vervoer met paard en wagen gedaan. “Alleen dokter Kooiman had een auto en bij de gemeente hadden ze auto. Verder ging alles met paard en wagen. Wij liepen vroeger naar school al zingend: Wij gaan voor niemand aan de kant, alleen voor paard en wagen. Er was natuurlijk veel werk voor smeden. De smederij van onze familie was vlak bij de melkfabriek. De melkvaarders kwamen of met paard en wagen of via het water naar de fabriek. Kwamen ze met paard en wagen, dan brachten ze de dieren naar de smederij om ze te laten beslaan. Want ze waren dan toch in Hoogeveen. Ze werden naar de noodstal gebracht, waar de smid de nieuwe ijzers aanbracht. Ik hielp bij mijn oom en tante in de huishouding en soms zat je in huis en dan stond er in de stal een paard dat verschrikkelijk tekeer ging. Dat hoorde je dan en dat was heel indrukwekkend.”
De ambachtslieden in Hoogeveen werkten ook samen. “Oom Roelof maakte bijvoorbeeld ook ijzers voor de wielen die de wagenmaker Hendrik Boer maakte. Die was getrouwd met mijn tante. Een zus van mijn vader en oom. Het bleef dus in de familie. De ambachtslieden wisten elkaar wel te vinden als er samengewerkt moest worden.”

Voorliefde
Niet iedere smid kon hoefsmid worden. Het was een vak apart waar je goed voor opgeleid moest zijn. “Twee van de zoons van oom Roelof waren ook smid. Kachelsmeden. Zij besloegen geen paarden. De knecht van oom, Wolter Stoefzand, deed dat wel.”
Mevrouw van der Weide-Klooster heeft altijd een voorliefde voor paarden gehouden, een familietrekje.
“Dat kregen wij van huis uit mee. Wij zaten vroeger wel eens op een paard, zonder zadel en dan brachten we het naar de stal. Maar echt rijden, zoals mijn dochter en kleindochters dat doen, hebben wij natuurlijk nooit geleerd. Ik vind het nog steeds mooi wanneer ik paarden hoor aankomen. Dat geluid over de weg. Dan moet ik altijd wel even kijken. En als we naar de rijtuigendag gingen dan keek ik nooit naar de rijtuigen, maar naar de paarden. Prachtig vind ik dat. En weet je? Wanneer er op een markt een demonstratie is van een hoefsmid. Als ze dan het hete ijzer onder op de hoef van het dier plaatsen, dat vind ik zo lekker ruiken.
Dan heb ik even dat gevoel van vroeger weer.”


Dit verhaal is tot stand gekomen
met medewerking van de Verhalenwerf:
Museum De 5000 Morgen
en Bibliotheek Hoogeveen.


Mariëlle de Vries

Krant van Hoogeveen 12 april 2016