Verhaal

7. Streken en rijbewijs halen

Herinneringen eind jaren '40 begin '50

Ophalen nieuwe trucks in Amsterdam met Teun de Gooijer

Op een dag moest ik met Teun de Gooijer mee naar de Fordfabriek in Amsterdam. Wij moesten 2 nieuwe trucks halen welke nog niet van een laadbak waren voorzien,en dus nog een kaal chassis hadden. Met de trein reden wij naar Amsterdam en vanaf het Centraal Station met een taxi naar de fabriek. Het duurde verschrikkelijk lang voordat wij de trucks in ontvangst konden nemen. Eindelijk was het dan zo ver dat wij konden vertrekken. Teun zou voorop rijden, hij wist de weg. Inmiddels was het 5 uur geworden. Net op dat moment dat wij de poort uit reden, ging er plotseling een sirene en vlogen tegelijk de deuren van de fabriek open en kwam er een onvoorstelbare horde mensen de fabriek uit. Enkelen vlogen naast mij in de cabine terwijl anderen op de treeplanken stonden en weer anderen op het kale chassis gingen zitten. Vóór mij reed Teun, maar ik zag bijna geen truck meer, het waren allemaal mensen. Iedereen dacht zo even op een handige en snelle manier thuis te komen, wat sommigen ook heel goed lukte.
Na misschien een paar kilometer te hebben gereden, was er ineens een politiecontrole. Ik heb geen rijbewijs, flitste het door mij heen. Terwijl ze Teun lieten stoppen wist ik handig om hem heen te rijden. Maar nu kwam ik in de problemen. Ik vond het hier veel te druk om te kunnen stoppen om op Teun te wachten. Eerst nog maar een stukje doorrijden, dacht ik. Maar in plaats van dat het rustiger werd, werd het steeds drukker en drukker. Die gasten naast mij op de zitting begrepen dat ik de weg niet wist. Zij zouden mij wel even vertellen hoe ik rijden moest, terwijl zij zich bij nader inzien bijna voor hun huisdeur lieten rijden. Ik was best wel het een en ander gewend in het verkeer, maar door met een vrachtauto door Amsterdam te rijden, waar ik heg nog steg kende, werd ik toch weer een ervaring rijker. Er stond af en toe een verkeersagent met grote wit met zwart gestreepte mouwen of handschoenen midden op het kruispunt, soms op een verhoging, met een groot bord dat hij kennelijk kon schakelen en waarmee hij dan weer een groen en dan weer een rood vlak liet zien. Soms stond er het woord “STOP“ op. Ik had dit nooit eerder gezien. Nou ja .... de betekenis daar van sprak voor zich.

Agent Stop

Inmiddels was ik mijn laatste passagier gelukkig kwijt en reed ik nu maar op de schaarse borden richting Diemen, Hilversum, Amersfoort. Eenmaal buiten Amsterdam - het was inmiddels donker geworden - vroeg ik mij zorgelijk af hoe dat nou met Teun zat. Moest hij nu nog komen, of was hij al lang weg? In grote vertwijfeling stopte ik af en toe op een parkeerplaats, niet goed wetende wat ik zou moeten doen: wachten of doorrijden. Plotseling verschenen er een paar koplampen heel dicht achter mij, en was ik als een kind zo blij toen ik zag dat het Teun was!

Streken op de werkvloer....

Terwijl ik onder de motorkap van een personenauto aan een defecte startmotor sleutelde kreeg ik ineens een flinke elektrische schok. Krijg nou wat .... vroeg ik mij af, dit kan helemaal niet. Van een 6 volt accu krijg je geen schok, en de motor loopt niet, dus van een bougie kan het ook niet zijn. Nou wat het ook geweest mag zijn, maar dit kan niet. Opnieuw verder sleutelend ...... snotverdulle nog aan toe, kreeg ik weer een schok, en niet zo’n klein beetje ook, hoe.... kan .... dit ?
“Wat is er Bart,” vroeg Albert van der Haar, “gebeurt er wat?”
“Albert, moet jij mij eens vertellen, hoe kan dat?”
“Wat bedoel je Bart?”, vroeg Albert. “Leg jij jouw hand nou eens op de motor,” zei ik tegen Albert. Albert legde zijn hand op de motor en zei: “En nu Bart, wat moet er dan nu gebeuren?”
“Voel je niks?”, vroeg ik. “Nee,” zei Albert, “wat zou ik moeten voelen dan?”
Inmiddels was zo’n beetje iedereen om mij heen komen staan en begon ik aan mijzelf te twijfelen.
“Als ik dat doe dan krijg ik een opsodemieter van donder en geweld,”,vertelde ik driftig.
"Dat kan toch niet, Bart," zeiden ze, de motor loopt helemaal niet en je hebt de accuklem eraf liggen. Ze legden de hand op de motor, ik ook, en inderdaad, er gebeurde niets. Op een meter of 3 misschien 4 meter afstand stond Roelof Bos. Ik zei: “Waarom kom jij hier niet bij staan? Dan kun jij het ook mee maken wat hier gebeurt.”
“Dat kan niet, Bart,” antwoordde Roelof met een grote grijns op zijn gezicht, “iemand moet hier toch blijven staan om op dit knopje te drukken, anders krijg jij geen schok.”
“Stelletje tuig zijn jullie!”, riep ik nu verontwaardigd, waarop iedereen vreselijk begon te lachen.
Die gasten hadden een dun koperdraadje uit een spoel van zo’n oude richtingaanwijzer aan het bougietestapparaat en vervolgens aan de auto bevestigd waar ik mee aan het werk was. Zodra ik aan het sleutelen was drukte Roelof op het knopje van het bougietestapparaat waardoor ik de stroomstoot kreeg welke normaal op een bougiekabel staat. Niet gevaarlijk, maar ik had er een gloeiende hekel aan.

Rijexamen

“Bart ..... Bart ..... waar is Bart?”, riep Kip vanuit de geopende kantoordeur richting werkplaats.
“Hier ben ik!”, riep ik terug. “Wat heur ik now,” riep Kip terwijl hij met grote stappen naar mij toe kwam, “heb ie helemoal geen riebewies?”
“Nee, ik heb geen rijbewijs, nooit gehad ook. Alleen dan veur mien Spartaagie, maar anders niet nee.”
”Moar hoe kan dat dan?”, riep Kip een beetje wanhopig, “ie ried ja overal in en ook nog overal naar toe.”
“Nou ja, ook al heb ik geen rijbewijs, wil dat toch niet zeggen dat ik geen auto rijden kan, en daarbij: ik doe wat mij opgedragen wordt," zei ik.
“Als ie moar zorgt, dat ie zo gauw mogelijk dat riebewies kriegt,” zei hij.
“Nou," zei ik, "eerlijk gezegd ben ik dat helemaal niet van plan, want wat heb ik er aan? Ten eerste kost zo’n papiertje veel geld en ten tweede: ik heb helemaal geen auto."
“Ie overlegt met Henk Snippe, dat ie zo gauw mogelijk examen goat rieden,” zei Kip. Lachend zei ik: “Ie goat noe richting kantoor, is het dan niet veul beter dat ie dat even met Henk Snippe beproat?”
Een aantal weken later riep Henk mij op kantoor en vroeg: "Wil jij hier en daar wel even jouw handtekening zetten voor de aanvraag van jouw rijexamen, Bart? En je moet ook nog zorgen voor twee pasfoto’s."
Inmiddels geruime tijd later vroeg Teun: “In welke auto wil jij vanmiddag examen rijden, Bart ?”
Verbaasd vroeg ik: “Examen rijden? Waar heb je het over?”
Teun: “Ja, jij moet vanmiddag om half twee toch examen rijden?”
Ik wist van niks. "Nou, dat had Henk Snippe mij dan ook wel eens kunnen vertellen," reageerde ik geërgerd. Ja, er stond nog een 46 Tiger Ford met de handrem in het midden, maar daar deugde de koppeling niet van. Teun zou even met mijnheer Bosscher bellen. Mijnheer Bosscher was de directeur van de beschuitfabriek uit Zuidwolde en tevens rijexaminator. Teun vertelde mijnheer Bosscher dat er om half twee een monteur kwam examen rijden, maar dat de koppeling niet helemaal in orde was van de auto waar hij mee kwam. Als hij een beetje schokkend weg reed, dan lag het niet aan de kandidaat maar aan de auto.

Om half twee bij Hotel Homan; mijnheer Bosscher keek mij aan, en zei: “Jjaa ..... wij hebben elkaar wel eens meer gezien.”
Bosscher kwam zo af en toe met zijn eigen auto bij ons in de garage.
Op het stationsemplacement was de zogeheten veelading. Daar liep het vrij steil omhoog; het was bedoeld en werd gebruikt voor het laden, maar vooral voor het uitladen van de koeien die op donderdag met de trein overal vandaan aankwamen voor de veemarkt. De koeien werden vandaar door koeiendrijvers naar de veemarkt geleid. Een van de koeiendrijvers, herinner ik mij, moest tijdens het drijven steeds met zijn hoofd achterover lopen, waarschijnlijk omdat zijn oogleden zakten.
Ik moest tegen de schuine helling van de veelading op rijden, waarop ik halverwege de helling moest stoppen. Mijnheer Bosscher zei: “Zie je wat ik hier in mijn hand heb?” “Ja,” antwoordde ik, “een luciferdoosje!”
Hij stapte uit en zei: “Ik leg dit doosje nu dicht achter een achterwiel, en dan ga jij daarna zodra ik het zeg een aantal meters doorrijden. Maar ik wil wel dat het doosje heel blijft,” zei hij lachend.
Ik merkte nog op: "Anders koopt u toch een nieuw doosje?", maar daar reageerde hij niet op. Tussen duim en wijsvinger liet hij mij daarna het doosje zien en hij zei: “Prima gedaan hoor, ondanks jouw kapotte koppeling.”
Na de stad wat doorgereden te hebben, moest ik keren op de weg, nog achteruit een bochtje rijden en vervolgens terug naar Hotel Homan waar hij nog een aantal theoretische vragen stelde. Op mijn vraag: "Ben ik geslaagd?" antwoordde mijnheer Bosscher: “Je krijgt bericht over de post.”
“Ja, maar mijnheer Bosscher,” zei ik, “als ik gezakt ben dan kan ik alvast een volgend examen aanvragen.”
“Dat zou ik maar niet doen,” zei hij lachend en gaf mij als afscheid een hand.

Verhaal 8