Verhaal

6. Uit de bocht en ziekenritten

Herinneringen eind jaren '40 begin '50

Schuivende lading en een kruispunt vol ijzeren/stalen platen

Twee dagen later werd mij gevraagd of ik nog wel een paar ritjes voor Homan wilde doen. Ter hoogte van het veevoederbedrijf Koudijs, van Jaap Scholing, en de Noord Nederlandse Kunstmest handel aan de Alteveerstraat, lag een schip waar ik naar toe moest.  Vanuit het schip moesten stalen platen geladen worden om naar  Drenthina te vervoeren.
De platen waren, met metalen banden daar om heen, samengeklemd tot pakketten van - ik meen - 500 kg. Met een hijskraan tilde de schipper een aantal van deze pakketten, waartussen ik steeds een paar houten balkjes moest leggen, in de laadbak van de vrachtwagen. “Heb je hier nog niet genoeg aan?” vroeg de schipper, waarop ik antwoordde: “Er kan er toch nog wel een bij?” “Ik zou het hier eerst maar bij laten,” riep de schipper naar mij, “breng dit vrachtje eerst maar eens weg.”

Alteveerstraat
Dit zou exact de plek kunnen zijn waar ik destijds de platen voor Drenthina moest laden.

Het korte stukje Alteveerstraat tot aan de brug ging prima, over de brug reed ik heel rustig, want ik moest natuurlijk oppassen dat ik niet de etalage van de in toenmalige Melboka (zuivelwinkel van Seijdel) binnen reed. Eenmaal in de bocht bij het schipperscafé, de eiermarkt en café Brunsting richting Hoofdstraat, ging het mis.
De lading was gaan schuiven en één pakket ging dwars door het zijschot van de laadbak, waarna het hele kruispunt bezaaid lag met stalen platen. Op school had ik geleerd over middelpuntvliedende krachten. Nu hoefde niemand mij meer uit te leggen wat dat betekende. Ik rende als de weerlicht café Brunsting binnen, terwijl ik in de deuropening ook nog tegen Jaap Verhoeven van het café op liep. Hij vloog juist naar buiten om te kijken waar die herrie vandaan kwam, en wat er in vredesnaam gebeurde. “Waar hebben jullie de telefoon?”, riep ik, “Ik moet onmiddellijk de garage bellen, ik heb het hele kruispunt vol met ijzeren platen liggen,” vertelde ik struikelend over mijn woorden.

t Schut
                         De brug over ‘t Schut, bij de toenmalige Melboka zuivelwinkel.

Gehaast vertelde ik Roelof Bos door de telefoon: “Kom onmiddellijk hier naar toe met zo veel mogelijk helpers want ik heb het hele kruispunt vol liggen met metalen platen.” Roelof riep nog: “Geen gewonden?” “Nee, en ook nog geen politie, kom nu maar zo snel mogelijk,” riep ik terug. In de servicewagen (een pick-up) kwam Roelof met een mannetje of 5 aan rijden en met vereende krachten waren alle platen heel snel weer terug op de vrachtwagen. Ik kreeg de tijd om van de schrik te bekomen terwijl Aaldert Jan Strijker de handel naar Drenthina reed.

eiermarkt
Eerlijk gezegd weet ik niet zeker of toen de “overdekte eiermarkt ” er nog wel was. (Wel een mooie foto)

Terug in de garage zei Roelof tijdens de koffie dat mij niets te verwijten viel. Uiteindelijk was het niet verantwoord geweest om mij op zo’n jonge leeftijd zonder ervaring dit soort werk te laten doen, vond Roelof. Veel later, toen Willem Engberts weer van zijn ziek zijn hersteld was, kwam hij in de garage en wilde ik hem vertellen omtrent de brand van zijn truck. Maar hij wist overal al van. “Jij had de handrem nooit mogen gebruiken,” vertelde Willem. Want als je dat wel deed dan bleef hij hangen en dan moest je onder de auto er weer bij met een stuk plat ijzer wat achter de zitting lag, om de rem weer los te wrikken.

Banden wisselen voor verkoop op de automarkt

Teun de Gooijer, de taxi chauffeur, was ook de kraanwagenchauffeur/machinist. Als er een aanrijding was, of als het ging om een auto uit de sloot of uit het kanaal te takelen, was het Teun zijn werk. Door Teun zijn drukke werkzaamheden als taxichauffeur nam Albert van der Haar en later Hendrik Hof een deel van deze werkzaamheden over. Ik herinner mij dat vooral Hendrik hier heel erg goed in was.
Hennie (Hendrik) Stevens was vrachtwagenchauffeur voor transportbedrijf Klaas Stuifzand. Om wat bij te verdienen zou hij voor Kip die avond met een oude Ford naar de automarkt in Apeldoorn gaan om die te verkopen.
“Bart,” zei Kip, “er liggen nog zulke mooie banden op die auto, wil jij als je tijd hebt die wel wisselen met andere (oude banden) uit de bandenkelder?”
Even tussen andere werkzaamheden door zou ik nu gauw even die banden wisselen, maar vroeg mij gelijktijdig af of ik wel betrouwbare banden zou kunnen vinden. Ik had al een beetje uit ervaring geleerd dat de gangbare maten die in de kelder lagen niet veel bijzonders was. Zoals dus al verwacht: aan elke band mankeerde wat. De één had een scheur aan de buiten zijkant, de ander een canvas breuk binnenin, dan weer zat er een grote manchet in.
“Als ie nou zorgt voor 4 geschikte banden, dan zal ik zorgen dat ze er op komen,” zei ik tegen Kip. “Of wil ie mij vertellen dat ik geen 4 bruukbare banden in mien kelder heb, wacht moar even , ik loop mit oe mit,” reageerde Kip vinnig.
“Wat dunkt oe hier van: 1 band, 2 banden, 3 banden, 4 banden, mut ie er soms nog meer hebben?” Verbouwereerd stuntelde ik: “Ja .... moar .... die banden ga ik er niet opleggen, die heb ik zelf zo juist ook in de vingers gehad. Die auto moet vanavond ook nog naar Apeldoorn rijden. Ie wilt toch niet dat Hennie Stevens doar vanavond mit verongelukt?”
“Ie mut niet zo zeuren Bart, doar verongelukt niemand mit,” snauwde Kip tegen mij.
Ik snauwde eveneens: “Probeer het zelf eens om die banden er op te leggen, misschien lukt het oe wel, moar ik doe het niet.”
Later zag ik dat Tonnie (de jongste van ons) de banden aan het wisselen was.
Die volgende morgen kwam ik in de garage, en wat zie ik? Daar staat de oude Ford met een hoop eendenkroos op de motorkap, schuin voorover geleund met een lekke linker voorband. Even later kwam Teun er aan en vroeg mij als eerste: “Heb jij gister andere banden op die auto gelegd, Bart?” Waarna ik hem de hele affaire omtrent het banden wisselen vertelde. Teun keek een beetje droevig naar de grond en schudde zijn hoofd. Hij vertelde dat hij die avond de auto bij Den Hulst (er was nog geen A28) uit het kanaal getakeld had doordat Hennie Stevens een klapband had gekregen.
Toen ik later Kip door de werkplaats zag lopen, kon ik het niet na laten naar hem te roepen: “Nou .... heb ie nou oen zin?” Kip keek heel even zeer venijnig opzij en riep terug: “Bemoei ie oe nou moar mit oen eigen zaken.”

Ziekenritten

Het ziekenvervoer met de ambulance was eigenlijk ook de taak van Teun maar hij was zo dikwijls op de rit zodat hij daar ook maar weinig aan toe kwam. En of ik nu inmiddels 18 geworden was of nog 17 jaar was, weet ik eerlijk gezegd niet meer, maar ik kreeg er ongemerkt weer een taak bij waar ik min of meer vanzelf inrolde. Als er een ziekenrit was riep Geke vanuit de kantoordeur de werkplaats in: “Bart .... ziekenrit!“
Ik liet dan zo snel mogelijk mijn onderhandenzijnde klus in de steek. Tijdens het rennen naar het waslokaal maakte ik de knopen van mijn overall los en waste provisorisch mijn handen. Anderen hadden de ambulance dan al met draaiende motor in de deuropening gereden. Geke reikte mij het briefje met daarop het adres aan, gaf mij zo nodig nog wat toelichtingen en: hup!
Dit keer moest ik naar Nieuweroord. Ik moest ergens een brug over de Middenraai .... en ja hoor, daar zag ik mensen zwaaien en begreep natuurlijk dat ik daar moest zijn. Over de brug kon ik niet verder en liet de ambulance staan, om vervolgens te voet met de brancard een vondertje over te gaan, wat over een sloot lag, naar een klein boerderijtje. Daar bleek een hoogzwangere vrouw te zijn welke oprecht barensnood had. Zij moest zo snel mogelijk naar het ziekenhuis vervoerd worden. Snel mevrouw op de brancard, riemen niet te al te strak gegespt, ik aan de voorkant van de brancard, haar man aan de achterkant, over het vondertje gedragen, nagekeken door een aantal kindertjes, snel de brancard in de ambulance geschoven.
“Ga maar,” zei haar man, “ik kom op mijn solexie jullie wel achterna.”
“Niks ervan,” riep ik verontwaardigd, “ie goat ook mee!”
“Néé, ik kom op mien Solex,” zei hij weer.
“Ben ie nou betoeterd, ie goat bij oen vrouw hier aan de zijkant zitten!”
“Nééé,” riep hij, “ik kom op mijn Solex, anders heb ik geen vervoer terug.”

Tijd om daar veel over te gaan discussiëren was er niet, dus rijden. Het hobbelde nog al langs de Middenraai en eenmaal op de Coevorderstraat begon de vrouw hevig te gillen. Had ik toen maar geweten wat jongens van 17 of 18 jaar nu weten, dan was ik niet zo in de stress geraakt. Ik opende tijdens het rijden het schuifraampje dat zich achter mij bevond en vroeg wat ik kon doen.
“Nee ..... niks jonge,” zei ze, “rij maar gauw door.”
Inmiddels had ik net zo veel zweet op mijn voorhoofd als mijn patiënt op de brancard. Plotseling hoorde ik haar roepen: ”Stóp!” Ik stopte onmiddellijk, liep met een noodgang rond de ambulance, trok de schuifdeur opzij open en vroeg: “Wat moet ik doen?”
En of ik het nu verkeerd verstaan had, of dat zij van gedachten was veranderd weet ik niet, maar nu riep ze toch duidelijk: “Doorrijden ..... doorrijden!!!”
Eenmaal gearriveerd bij de ambulance inrit, van het toen nog oude Bethesda ziekenhuis, heb ik kennelijk als een gek staan schreeuwen: “Zuster ...... zuster ...... een brancard ..... een brancard!”
Ik bedoelde natuurlijk zo’n ding op wielen, want die had ik niet. Hoe blij kon ik zijn nu de zusters mijn patiënt hadden overgenomen. De dagen en weken daarna, wanneer ik met een patiënt bij Bethesda aan kwam rijden, hielden de zusters mij voor de gek, en riepen ze in koor: “Zuster ..... zuster een brancard!!!”

ziekenkar

 

Handkar (ik denk dat
het er zo ongeveer uitzag)

 

 


Ik dacht dat het op dinsdags was, dan was het in Bethesda “blindedarmoperatiedag“ als ik het goed heb. Dat vond toentertijd nog aan de lopende band plaats. Zodra er weer een patiënt - die dan nog onder narcose was - op de gang stond, reed ik die met hulp van een zuster naar de ambulance om vervolgens daar mee naar Irene te rijden. Daar was ik de hele ochtend zo’n beetje druk mee. Irene was een soort dependanceziekenhuis aan de Schutstraat.
Voorheen werden de patiënten door Weemstra met de brancard op een handkar met daar overheen zo’n zeildoeken huif van Bethesda naar Irene gereden.

Irene
                                                                                

Gebouw Irene 

Grondig verbouwd, met uitzondering van de voorgevel. Deze heeft zijn historische uiterlijk mogen blijven behouden.

 

Verhaal 7