Verhaal

5. Haastige spoed en brand

Herinneringen eind jaren '40 begin '50

Haastige spoed bij reparatie vrachtwagen, voetballerij en bijna-ontslag Kip

Niet alles verliep naar wens. Op een vrijdagmiddag begon ik met een vrachtauto - een Ford uit de dump - een koppelingsplaat te vervangen. In plaats van de versnellingsbak er achter vandaan te halen, moest bij dat type de hele motor eruit, wat nogal een lastig karwei was. Na de koppelingsplaat te hebben vervangen en ook nog een nieuwe naaldlager in de primaire as gemonteerd te hebben, de motor weer teruggeplaatst. Alles weer aangesloten en vervolgens ook nog afgebroken steekasboutjes gedemonteerd en vervangen door nieuwe.
Roelof Bos was druk in gesprek met klanten, terwijl hij tussendoor mij nog een compliment maakte dat ik het zo gauw geflikt had. Hij riep naar mij: “Wij gaan zo samen even proefrijden, ik kom er zó aan.” Ik had mij gehaast omdat ik graag naar huis wilde want ik moest immers voetballen die middag, waar Roelof alles van af wist. Inmiddels had ik mijn overall uitgetrokken mijn handen gewassen en nog bleef Roelof maar kletsen met een klant, waarmee hij het zo te zien heel gezellig had.
Het maakte mij kriegelig en ik ben op mijn fiets gestapt en maakte dat ik thuis kwam, om vervolgens gehaast op het sportveld aan te komen om nog net op tijd mee te kunnen voetballen.

Die maandag morgen om 8 uur terug in de garage werd ik opgewacht door Roelof terwijl hij deed als of er een ramp gebeurd was. “Man ach man, wat heb jij mij een slecht weekeind bezorgd,”,kermde hij. “Wat is er gebeurd? ...... wat is er gebeurd?”, vroeg ik.
Roelof was, nadat ik die zaterdagmiddag naar huis was gegaan, gaan proefrijden met de vrachtwagen via de Van Limburg Stirumstraat met een rondje om het gemeentehuis. Op de weg terug kwam er stoom onder de motorkap vandaan en constateerde Roelof dat Bart vergeten was water in de radiateur te doen. Bij terugkomst in de garage stond de klant (eigenaar) te wachten om zijn auto te halen, maar zag op een afstandje Roelof al stomend met zijn vrachtauto aankomen. Door het overmatig heet worden van de motor zouden nu de zuigerveren en de kleppen verbrand kunnen zijn, en zou de klant nu wel aanspraak maken op revisie van de motor. “Als Jelle (mijnheer Kip) straks komt, zal hij wel verschrikkelijk te keer gaan op jou, dan moet je maar zeggen dat je van mij al op jouw donder gehad hebt,” zei Roelof. Zenuwachtig ging ik aan het werk, want ja .... wat er tegen mij gezegd werd had ik immers verdiend. Meestal kwam Kip 's ochtends tegen half tien in de garage maar nu het was net acht uur geweest..
“Bart..... waor ..... is ..... Bart! “ ” Hier ..... hier ben ik,” riep ik. “Man ach man, wat heb ie mij nou toch voor een stommiteit uut haald,” schreeuwde hij met zijn gezicht heel dicht voor mij. “Ik had liever dat ie mij an mien bek geslagen had,” schreeuwde hij, waarbij hij zichzelf hard op beide wangen sloeg. Aan zijn geraas kwam geen einde en hoe ik mij ook verontschuldigde en liet weten dat Roelof Bos ook al zo veel op mij te keer was gegaan, hij raasde maar door en wanneer ik weg wilde lopen ging hij nog harder te keer. “Weglopen terwijl ik tegen jou praat?", schreeuwde hij.
Toen had ik er ineens helemaal genoeg van en onderwijl hij nog steeds te keer ging schreeuwde ik nu nog harder terug. “Noem je dat geschreeuw van jou “praten”? Zal ik eens wat anders vertellen?”, schreeuwde ik nu. “Ik ga nu naar huis, ik ben het helemaal zat hier, en je kan barsten met de hele handel!” Ik trok mijn overall met groot geweld uit waarbij enkele knopen er af vlogen en smeerde hem.
Ik was nu helemaal over mijn theewater, niks interesseerde mij nog. Ik rukte mijn fiets met bruut geweld uit de rijwielstalling, met mijn smerige overall onder de snelbinder en reed met een rotgang voor het Karmelieten Klooster langs. Ik zag dat Roelof Bos mij uit de zijdeur al rennend achterna kwam. Ik kon niet aan hem ontsnappen, hij greep mij nog net bij de bagagedrager van mijn fiets.
“Jij blijft hier!”, schreeuwde Roelof nu weer, “Jij bent hier nog steeds in de baas zijn tijd en je doet wat ik zeg, nu aan het werk!” Dit optreden van Roelof maakte indruk op mij waardoor ik weer een beetje tot rust kwam.

Carmelieten klooster
Natuurlijk was het gebeurde tijdens de koffie pauze onderwerp van gesprek. Al was mijn fout nooit goed te praten, toch begrepen Roelof Bos en de collega’s dat de oorzaak alles te maken had met mijn voetballerij, zo lieten ze mij weten. En, ze gaven mij groot gelijk dat ik van Kip zijn geschreeuw schoon genoeg had.
Achteraf bleek zo’n grote ophef niet nodig te zijn geweest, want de klant was dik tevreden en heeft nergens moeilijk overgedaan. Maar goed, dat wist je van tevoren natuurlijk ook niet.
Het was niet denkbaar om voorheen - hetzij met Kalsbeek of Heijnekamp - zo’n heftige woordenwisseling te hebben als met Kip. Het kwam óók met anderen wel vaker voor. 
Echter moet worden opgemerkt dat er na zo’n “ruzie”  met Kip eigenlijk niets bleef hangen. Mede door zijn toedoen ging al heel gauw alles weer z’n gewone gangetje, vond ik.

Anekdote Drenths

Als de telefoon bij ons in de werkplaats ging, was het meestal Geke van het kantoor die doorverbond met iemand uit de werkplaats. Freek Drenth stotterde een beetje en had er daardoor een gloeiende hekel aan om de telefoon in de garage op te nemen. Ik nam de telefoon aan en hoorde Geke zeggen: “Drenth.” En omdat Freek bij zijn achternaam Drenth heette, riep ik: “Freek, telefoon voor jou.” Schoorvoetend nam Freek de telefoon aan. “Ja, met Drenth,” zei Freek zachtjes. “Ja, met Drenth,” was het antwoord. “Ja, u spreekt met Drenth,” zei Freek weer. “Potverd .... met Drenth vertel ik jou!”, klonk het voor de zoveelste keer aan de andere kant.
Freek werd helemaal verlegen en zenuwachtig en begon nog meer te stotteren dan hij ooit eerder gedaan had. Het huilen stond hem nader dan het lachen. “Ja ..... maar ..... u spreekt met Drenth,” zei Freek nog een keer.
Net op het moment dat ik de telefoon van Freek over wilde nemen, kwam Roelof er aan. Hij nam de telefoon van Freek over. Nieuwsgierig luisterden wij mee en hoorden Roelof zeggen: “Met Bos, met wie spreek ik? Ja ..... zeg het maar Drenth. Jaaa, dat was even een misverstand, Drenth. Kan gebeuren, maar vertel maar, waar gaat het over Drenth? Ja natuurlijk Drenth, daar zorgen wij voor, komt dik voor elkaar Drenth. Dag Drenth.”
Het bleek Drenth van de Wijn- en Drankenhandel te zijn die soms heel erg te keer kon gaan.

De vrachtwagen van Homan in brand

Hotel Homan had naast z’n horeca ook nog een expeditiebedrijf met één vrachtauto. Op die vrachtauto reed Willem Engberts. Op een dag kwam  Homan vragen of Kip even een chauffeur voor hem had want Willem Engberts was ziek. Ik moest met diens vrachtwagen naar Drenthina. Daar werd de wagen geladen met puin. Met twee mannen van Drenthina, die naast mij op de zitting met mij mee reden, moest de lading ergens - ik dacht voorbij het Spaarbankbos - in een grote kuil gestort worden.
Halverwege het Spaarbank bos begon een van de beide mannen hevig te snuiven. “Het stinkt hier”, zei hij. Ja, nu rook ik ook een brandlucht. “Blikschater!”, riep de ander, “Ik zie vuur door de spleten van de bodem onder de auto!”
Onder de zitting, waar wij op zaten, zat de benzinetank. Details ben ik vergeten maar achter de versnellingsbak zat op de aandrijfas (cardanas) een poelie. Rondom die poelie zaten twee halvemaansegmenten met aan de binnenkant remvoering, wat het handremmechaniek was, meen ik mij te herinneren. Ik kon mij niet voorstellen dat ik vergeten zou zijn om de auto van z’n handrem af te zetten. Maar samen met olie en vettigheid stond alles nu best in de fik, terwijl de benzinetank inmiddels gevaar liep. Met blote handen zag ik kans stukken graszode uit de berm los te rukken waarmee ik de brand probeerde te doven. De beide mannen volgden gelukkig mijn voorbeeld en terwijl ik onder de wagen lag en hevige strijd leverde met de brand, reikten zij mij steeds nieuwe stukken graszode aan. Juist op het moment dat ik dacht 'het gaat mij lukken', waren de beide kerels verdwenen. Ik zag aan de overkant van de straat twee hoofden boven een sloot uit steken en ze wenkten en riepen naar mij dat ik ook maar naar ze toe moest komen, met de bedoeling de auto, met het oog op de benzinetank, maar te laten branden. Met nog meer geweld en moeite rukte ik zelf maar weer stukken graszode uit de berm waarmee ik de brand geblust kreeg. Om herhaling te voorkomen kon ik de handrem met het uiteinde van een wielmoersleutel wat los wrikken waardoor er een beetje speling ontstond.

Toen ik aan het eind van de dag de wagen weer terug bracht naar Homan, vertelde ik hem welke moeite ik gedaan had om hem van de ondergang te redden, waarbij Homan zijn commentaar was: “Had hem maar laten branden“.

Verhaal 6