Verhaal

De jonge en laatste scheepsjager van Hoogeveen

Roelof Sieders vertelt zijn verhaal

De opkomst van het motorschip
Na 1900 kwam de motorisering van de binnenvaart op gang. Tjalken en klipperaken waren als zeilschip gebouwd. Er waren schippers die een zijschroef plaatsten op z’n schip. Dan werd er een motor op het voordek geplaatst met een schroefas die men naast het schip in het water kon laten zakken. De schippers noemden dat een schip met een lamme arm. Andere schippers bouwden een motor in een bootje zo groot als een roeiboot. Daar werd het vrachtschip mee vooruit geduwd. Een opduwer werd het kleine bootje genoemd. Ook waren er zeilschepen waar de schipper een motor achter in het schip liet bouwen. De nieuwbouwschepen kregen gelijk een motor achterin. Men was niet meer afhankelijk van de wind. Ook hoefde men het schip zelf niet meer te trekken of een scheepsjager te huren. Toch waren er toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak nog steeds schepen die ‘gejaagd’ moesten worden. Er waren toen nog ca. 10 scheepsjagers in Hoogeveen. Bekende namen zijn de gebroeders Sieders, Blokzijl en Koopmans. Een uitstervend beroep door de motorisering.

Paarden gevorderd
In de oorlog moest het vervoer per schip doorgaan. De vrachtwagen was wel in opkomst. Toch was het binnenvaartschip nog transportmiddel nummer één. Landbouwproducten zoals tarwe, haver, aardappelen, bouwmaterialen, zand en grind het werden per schip af- en aangevoerd. In de oorlog was er maar beperkt brandstof voor de scheepsmotor. Om het vervoer over water door te laten gaan vorderden de Duitsers paarden van de boeren om de schepen te jagen. Ook moesten de boeren zelf als scheepsjager dienen of een ander persoon daarvoor leveren. Niet iedere boer had daar zin in. Zo werden er mensen gezocht die dat voor hun wilden doen. Ook de beroepsmatige scheepsjagers werden ingezet.

Roelof Sieders, de jongste scheepsjager
Roelof werd geboren op 15 februari 1930 aan de Schutstraat, beneden de sluis. Dat noemde men beneden ‘t Schut. Hij had 6 broers en 2 zusters, dus totaal 9 kinderen. Zijn vader was machinaal houtbewerker op de Timmerfabriek van Zwiers aan het Omkanaal. Ook had Sieders een klein boerderijtje met een paar duizend kippen en een 5-tal stuks vee, ‘bollegies’. Broers van Roelof waren scheepsjager. Roelof bezocht de Hervormde lagere school aan de Bentinckslaan. Alleen daar verscheen hij niet zo regelmatig meer toen hij een jaar of 10 was. Zijn 2 oudere broers waren scheepsjager.
Zoals al beschreven zochten de Duitsers een oplossing voor de schepen die niet meer op de motor konden varen. Paarden werden gevorderd. De boeren moesten dan ‘s morgens vroeg met hun paard klaar staan. Van scheepsjagen hadden ze geen verstand. De boeren vroegen aan Sieders om als scheepsjager mee te gaan. Vader Sieders had daar geen zin in. De zoons moesten het maar opknappen. Maar de ene oudere broer was er nogal eens tussen uit. Daarom moest de 10-jarige Roelof het maar doen. Met het paard van buurman Jans Neutel, een ‘dikke belg’, ging de jonge Roelof schepen jagen. Beneden de Venesluis waar Tichelaar sluiswachter was, begon het werk.

scheepsjager02

Er waren verschillende trajecten vanaf Hoogeveen. Naar Meppel, Nieuw-Amsterdam en de VAM in Wijster. Voor het laatste traject moest men voorbij Noordscheschut het Linthorst Homenkanaal in. In Tiendeveen en bij de VAM waren laad- en losplaatsen. Veelal werden daar aardappels, mais en haver geladen. De jaaglijn was wel een 60 meter lang. Deze werd hoog aan de mast of wanneer deze gestreken was aan de bokkepoot vastgemaakt. Het paard was getuigd en daar werd het andere eind aan bevestigd. Het was de kunst het paard zo voorzichtig op gang te laten komen dat de spanning op de jaaglijn niet te groot werd. Het risico was dat anders de lijn brak. Het paard moest ook aan deze vorm van trekken wennen. Roelof vertelt dat een paard een slim dier is. Na een uurtje had het beest wel door wat er van hem verwacht werd. Van Hoogeveen werd er naar Meppel gejaagd. Van ’s morgens 6 tot ’s avonds 8 uur werden de sluizen bediend. Wilde de schipper voor of na bedieningstijd nog geschut worden betaalde hij de sluiswachter 5 gulden. Na vertrek bij de Venesluis passeerde men Kattouw deze sluis werd bediend door Jan Lip. Dan volgde Echten daar was Baas sluiswachter. Op de Ossesluis zat Evert Barelds. De tocht ging verder naar Rogat. Schonewille bediende daar de sluis. Behalve in Echten was op iedere sluis een winkeltje.
De schippers kochten bijna overal wat. De schippers moesten op verschillende sluizen kanaalgeld betalen. De scheepsjagers hoefden geen enkele afdracht te doen. In Rogat werd het jaagloon afgerekend met de schipper, dat lag tussen de 10 en 15 gulden. Het schip werd dan naar Meppel gejaagd, tot aan de spoorbrug. Als de spoorbrug geopend was zorgde men dat het schip voor het viaduct goed gang had. De schipper gooide de jaaglijn los en het schip dreef zo Meppel binnen. Dan zat het er voor de scheepjager op. In Meppel werd het schip meestal door de schipper of zijn vrouw door de stad getrokken. Op het Meppelerdiep probeerde men te zeilen, dat was breder vaarwater. Ook werden daar konvooien samengesteld die dan door een sleepboot getrokken werden. Opmerkelijk was dat wanneer de Duitsers paarden vorderden zij het jaagloon betaalden. Dat was een fors bedrag, 84 gulden voor het traject Hoogeveen – Meppel. Voor de afrekening moesten ze dan naar bakker de Vries in Het Haagje. De winkeljuffrouw, een dochter van Wiendel Heet, betaalde de lonen in opdracht van de Duitsers uit.

De scheepsjagers
De schepen waren zo groot dat er één tegelijk in de sluis paste. Terwijl het ene schip werd geschut, lag de andere al te wachten. Meestal lagen boven en beneden de sluis schepen. Je had dus op- en afvaart, schepen onderweg van en naar Hoogeveen . Tijdens het schutten hadden de scheepsjager en het paard even rust. Van de ene schipper kregen ze een kop koffie, terwijl de andere hun niets aanbood. Roelof kan ze nog bij naam noemen. Het paard kreeg dan water en de voerzak aangehangen. Het jaagpad liep aan één kant van het kanaal. De kant met de minste obstakels. Dat betekende dat niet alleen tegenliggende schepen maar ook de scheepsjagers elkaar moesten passeren. Schepen die elkaar moesten passeren weken allebei uit naar stuurboord is de regel. Het schip dat dan van het jaagpad moest wijken moest de jaaglijn los maken. De lijn zakte dan op de bodem van het kanaal zodat het andere schip er overheen kon varen.
scheepsjager01

Dat ging ook wel eens mis. Strijker, een boer van ’t Schut, was gevorderd met zijn paard. Toen er een tegenligger kwam hield hij de jaaglijn vast. Hij werd mee het water ingesleurd. Bibberend werd hij weer op het droge gehaald. In Rogat werd zijn paard bij Schonewille in de stal gezet. Daar kreeg Strijker een paar borrels om op verhaal te komen. Roelof Sieders heeft toen het schip voor hem naar Meppel gejaagd. Scheepsjagers dronken nogal eens een borreltje. Roelof vertelt dat toen hij 13 jaar was de smaak al aardig te pakken had. Bij het passeren van een brug was het goed opletten. O wee als de jaaglijn achter de brug bleef haken! Ook kwam het voor dat het jaagpad bij een brug overging naar de andere oever. Dan moest voor de brug de jaaglijn losgemaakt worden. Het paard over de brug naar de andere kant brengen en daarna weer aanbinden. Als je dat niet snel deed was het schip eerder door de brug dan de scheepsjager er over. Scheepsjagers wachtten elkaar in Meppel vaak op. De terugtocht zonder schepen werd dan gezamenlijk gemaakt. Eens hadden de scheepsjagers een wedstrijd afgesproken. Wie is er het snelst te paard bij de Ossesluis? Ze hadden een koek gekocht als hoofdprijs. Roelof en zijn maat hadden de koek bij zich. Ze dachten laten we de koek vast opeten dan hebben wij gewonnen! Hoe de collega’s daar op reageerden….? Dat laat zich raden. Ook kwamen ze onderweg bij een NSB boer langs. Die had lekkere appels aan de boom. Daar wisten ze raad mee. Maar ze werden weggejaagd. De man riep woedend: “ die appels verbouw ik niet voor scheepsjagers!” Toch hebben ze de boer later stiekem van zijn appels afgeholpen. De tocht naar Meppel nam ongeveer 8 uur in beslag. Over de terugweg zonder schip deed men 4 uur.
scheepsjager03

In de oorlog waren schepen vaak doelwit van de Engelse vliegtuigen. Toen Roelof eens bij de Ossesluis was met een schip kwam er een Engelse jager. De piloot cirkelde een paar keer rond: een waarschuwing dat er geschoten zou worden. Roelof maakte het paard los en samen met een zoontje van de schipper heeft hij zich te paard in veiligheid gebracht. Gewonden vielen er niet, maar de deklast van het schip was er af geschoten. Roelof bracht ook schepen naar Nieuw-Amsterdam. Dan moest het schip door de Schutstraat en Het Haagje worden gejaagd. Dat was bij het Kruis niet eenvoudig. De jaaglijn moest los en later weer opgepikt worden. Ook de bocht Haagje - Omkanaal was lastig. Het schip maakte de bocht veel korter dan man en paard. Er moest over de brug van de Wolfsbos gelopen worden. Als je niet snel genoeg was, was het schip al door de bocht. Bij de brug van de Bentincksdijk wisselde het jaagpad weer van de oostkant naar de westkant van het kanaal. De vonders op het Noord waren een lastige passage voor het paard. Door de smalle loopplank stapte een paard vooral met zijn achterbenen wel eens naast de plank. Dan was het een hele heisa het dier weer in de benen te krijgen. Het leverde vaak wonden op aan de paardebenen. Na Noordscheschut had je geen oponthoud door sluizen. Er werd dan ook niet gerust onderweg. Man en paard gingen aan één ruk door naar Nieuw Amsterdam. Als je bij Zwinderen een tegenligger had kon je geluk hebben.
Als het een scheepsjager uit Nieuw-Amsterdam was wisselde je van schip. Zo liep je weer naar huis. Roelof vertelt: “dan was je mooi vroeg weer thuis en had je rap de centen binnen”. Als de wind mee zat voor de schipper dan werd er gezeild. Als Willem IJmker het grootzeil er bij had staan nam dat het de hele kanaalbreedte in beslag. De schippers zetten als het schip gejaagd werd met een goed windje de fok er nog wel eens bij. Aanvaringen van schepen onderling heeft Roelof niet meegemaakt. Wel dat er een pullebok zonk. De Vries was melkvaarder. Hij moest door de sluis van Echten. De afgeladen pullebok bleef bij het opschutten ergens haken en verdween met lading en al onder water. “De melkweg”.

Paardenwijsheid
Een paard is een wijs dier. Roelof zat eens onderweg op het paard. Van een boom die over de weg hing plukte hij appels om op te eten. Het paard bleef toen abrupt stil staan nadat het dier een paar appels had gehad ging het verder. De volgende keer bleef het paard al bij de boom staan: hier is het! Voorbij de Willem Moesbrug stond veel groen. Het paard wist dat precies, ging er bij liggen en nam de tijd om te eten. Roelof zegt: “dat gunde ik het beest ook”. Het was nog een jong paard.
Ondertussen deed Roelof een dutje. Als het paard verder wilde stampte het met zijn hoef op de grond. En Roelof werd wakker. Ook was het ene paard veel lastiger dan de ander. Toen Roelof eens te paard terug wilde rijden ging het dier er bij liggen. Het dier zal wel gedacht hebben: “ik moet lopen, jij ook”. De oudste broer van Roelof werkte met een schimmel. Hij kon er met lezen en schrijven. Als hij bij het weiland ging staan en de schimmel riep kwam het onmiddellijk. Kort na de oorlog overleed deze man. Niemand kon verder met dat paard over weg. Toen moest Roelof een keer met de schimmel jagen. Het dier was zo eenkennig er was geen land met te bezeilen. Het trapte en ging te keer en wou niet lopen. Dat was één keer en nooit weer. Heel anders ging het met de belg waar Roelof mee werkte. Zij waren maatjes. Het gebeurde vaak dat het paard zijn hoofd bij Roelof op de schouder legde. Er was een vertrouwensrelatie tussen man en paard!

Het einde van de scheepsjagers
Toen de oorlog voorbij was kwam het normale leven langzaam weer op gang. De bruggen die in Hoogeveen door de Duitsers waren vernield werden hersteld. Gevorderde schepen werden door schippers terug gevonden. Vaak beschadigd en met averij aan de motor. De werven hadden het druk. Uiteindelijk was een schip zonder motor een uitzondering. Steeds minder vaak werd er een beroep gedaan op de scheepsjager. Roelof Sieders vertelt dat in 1948 er misschien eens in de 3 maand een schip gejaagd moest worden. Daar kon je niet van bestaan. Roelof was toen 18 jaar. Hij vond werk in het boerenbedrijf. Eerst in Hoogeveen, later als seizoenarbeider in Broek in Waterland. Dat lag dicht bij Amsterdam. Roelof ging er op de fiets naar toe. Op 22-jarige leeftijd trouwde hij en ging in Hollanscheveld wonen .
scheepsjager04

Ook heeft hij een tijd in de Noordoostpolder gewerkt. In de buurt van Marknesse. Dan vertrokken ze op maandagmorgen met een bus werkvolk om 6 uur vanuit Hollandscheveld. Toen er niet zoveel werk meer was bleef Roelof alleen bij die zelfde boer werken. Dan fietste hij van Hollandscheveld naar Marknesse. Via Lucas Aardenburg ging Roelof op de blikfabriek werken tot aan zijn pensioen. In 1957 verhuisde het gezin naar Hoogeveen en woonde 6 jaar aan de Alteveertraat tegenover de Leiendijk. Ze verhuisden in ‘63 naar de Robaardstraat. In de straat verhuisden ze nog een keer. Toen hij 80 jaar werd kreeg hij van zijn kinderen een prachtig schilderij. Wat staat daarop? Een schip dat getrokken wordt met een scheepsjager! Nu januari 2016 woont Roelof daar nog steeds . Hij denkt met genoegen terug aan zijn tijd als scheepsjager!

Hoogeveen, 22 januari 2016
Door Albert Wolting
Voor het eerst verschenen op 27 januari 2016 (Grootscheeps)

Alle rechten voorbehouden