Verhaal

Jan Koster: "Mijn vader wilde alleen de beste turf"

HM010101089

Hendrik Jan Koster was turfschipper. Hij voer met zijn schip door de binnenvaart van Hoogeveen om turf aan de man te brengen. Dat een van zijn kinderen ooit in zijn voetsporen zou treden zat er nooit in. Wel kijkt zoon Jan Koster terug op een mooie tijd met zijn familie op de boot.

Het was eind jaren dertig, kort voor de Tweede Wereldoorlog. Ze woonden met z’n vieren op het schip, Jan met zijn vader, moeder en zeven jaar oudere zus. ‘s Ochtends rond een uur of zes haalde vader Koster droge turf op bij een veenbaas in Barger-Compascuum. ,,Die zocht hij zelf uit’’, zegt Jan, inmiddels al boven de tachtig jaar en woonachtig in Hoogeveen. ,,Mijn vader wilde alleen de beste turf.’’ Vervolgens trok het gezin de boot met touwen de haven uit, waar een scheepsjager uit Klazienaveen met zijn paard op hen te wachten stond. Het paard trok het schip door de Drentse kanalen.

Vaste route
De vaste route ging van Barger-Compascuum, via het Verlengde Oosterdiep en de Zuidervaart Oostzijde naar Zwartemeer, om daar de Hoogeveense Vaart op te varen richting Klazienaveen. Door het Van Echtenskanaal naar Erica en via de Vaart Noordzijde naar Nieuw-Amsterdam. Via Holsloot de Verlengde Hoogeveense Vaart op, door Zwinderen, Geesbrug en Noordscheschut naar Hoogeveen. Vervolgens ging de reis door de Hoogeveense Vaart naar de eindhaven in Rogat. Een route van zo’n zestig kilometer. Onderweg stopte het schip om turf te verkopen aan vaste klanten.

,,Ik liep vaak naast het paard van de scheepsjager’’, herinnert Koster zich. ,,Dat vond ik als jongen van ongeveer tien jaar wel mooi. Ook verkocht ik turf aan de klanten. Voor de rest had ik niet veel interesse in de scheepvaart, ik was met andere dingen bezig. Het heeft er nooit ingezeten dat ik schipper zou opvolgen.’’ Eenmaal aangelegd in Rogat ging Koster naar school in Berghuizen, bij Ruinerwold. Daar ging hij naartoe tot het schip weer vertrok naar Barger-Compascuum. Dan kreeg hij huiswerk mee om te maken tijdens de tocht. Hoewel hij niet veel met scheepvaart had, kijkt Koster toch terug op een leuke tijd. ,,Je was altijd thuis en met het hele gezin.’’

Duitsers
Zijn vader overleed in 1940. De oorlog was toen inmiddels al begonnen. ,,Ik herinner me nog dat we in Rogat lagen, toen er een sergeant van het leger aankwam. ‘Ze zijn binnen’, riep die. Hij had het over de Duitsers. We moesten onze boot verplaatsen omdat we in hun schotveld lagen. Daarna moesten we het tot zinken brengen, omdat het schip anders in handen van de Duitsers zou kunnen vallen. De boot is toen met dynamietstaven gevuld om het te laten zinken. Maar op een gegeven moment kwam de sergeant weer terug. Dat de kust veilig was en we de boot nog konden
redden. Met man en macht hebben we toen het schip leeggepompt en uiteindelijk hebben we ‘m weten te redden.’’

Na het overlijden van zijn vader ging het gezin nog twee jaar door met het verkopen van turf. ,,Maar het werd te zwaar voor mijn moeder en met de verkoop ging het ook steeds minder. Mijn moeder heeft de buut toen verhuurd aan twee zoons van een kennis. Wij ging op de vaste wal wonen in Hoogeveen, op de plek waar nu De Tamboer is. Ik was toen ongeveer twaalf jaar en wist niet beter dan het wonen op een boot. Maar toen we in een echt huis woonden wilde ik niet meer anders.’’

Aan het einde van de oorlog in 1945 verkocht zijn moeder de boot definitief en ging het gezin ergens anders in Hoogeveen wonen. In de Zeeheldenbuurt, het enige wat Jan Koster vanaf dat moment nog met de scheepvaart verbond.

Door Mark Voortman
Eerder verschenen op de Bibliotheekpagina in de Hoogeveensche Courant van 28 augustus 2013

Alle rechten voorbehouden