Verhaal

Drentse bodemschat: de kano van Pesse

Tekst: Ankie Lok

boot_pesse_replica (3)mi

Het bleek een archeologisch topstuk, de uitgeholde den die boer Hendrik Wanders in 1955 vond. Toch siert bescheidenheid de hoofdrolspelers rond de kano van Pesse. Een unieke speurtocht naar: de vindplaats, het Groninger laboratorium, het Drents Museum, de nagebouwde kano (die bewees dat hij kon varen) en de familie Wanders. ‘Het is een mirakel dat de kano er nog is.’

Hemelsbreed woont ze er nu amper 5 kilometer vanaf. Rika Wanders is altijd in Drenthe gebleven en daarmee ook in de buurt van de kano van Pesse, die haar vader meer dan 60 jaar geleden vond. De nabijheid van de kano is een van de eerste gedachten zodra de stadsbus achter het Drents Museum optrekt. Aan de rand van Assen ligt de nieuwbouwwijk waar Rika – klein van stuk, warme lach, ferme handdruk – inmiddels alweer jaren woont. De huiskamer heeft vrij uitzicht over een vijver met ganzen. De hond komt me ook begroeten. ‘Hallo, hondje,’ zeg ik. ‘Nou, dat is niet zomaar een hondje,’ zegt Rika. ‘Nee, dat is Youp. En Youp is echt Youp, hè.’

De kano van Pesse, zoals het vaartuig bekend staat, is ook niet zomaar een kano. De boot – gemaakt uit een grove den, krap 3 meter lang en 44 centimeter breed – kwam in 1955 uit het veen tevoorschijn, tijdens de aanleg van de A28 tussen Eursinge en Hoogeveen. Hij viel van de kiepkar die ’m had moeten afvoeren en werd gevonden door boer Hendrik Wanders. Het bleek een prehistorische boot, uit de tijd van de jager-verzamelaars. Sterker nog: de kano van Pesse is met zijn ongeveer 10 duizend jaar de oudste boot ter wereld. Toch is hij bepaald niet wereldberoemd. Reden om er eens dieper in te duiken.

Pesseresch
De speurtocht naar het verhaal van de kano begint bij een icoon van de moderne tijd: een tankstation. Maar Green Planet bij Pesse – “Today for Tomorrow” – is niet zomaar een benzinepomp. Met zijn filosofie over duurzame mobiliteit is het in de woorden van eigenaar Edward Doorten eerder een “energiestation”. Na de online kentekencheck tank ik meteen wat GreenStar 95. Maar ik kom hier voor die andere groene activiteit: Green Planet heeft een wandelroute rond de vindplek van de kano van Pesse laten maken en deze is daar verkrijgbaar (zie kader). 

De wandeling leidt helemaal rondom de es, of “Pesseresch”, zoals het kaartje vermeldt. De A28 heeft het dorp na meer dan duizend jaar van de es gescheiden, aldus de routebeschrijving. Het eerste stuk voert zuidwaarts, over een smal, geasfalteerd pad parallel aan de A28. Achter het tankstation staat een stukje dennenbos, en onmiddellijk gaat de fantasie met de wandelaar op de loop: moerassen, vennen en kano’s verschijnen al voor het geestesoog. Er ligt modder langs het pad, het is waterkoud. Je ziet hier de jagers in dierenhuiden zo voor je. Voorbij het bos strekt zich aan de rechterhand de es uit. Links raast het verkeer voorbij. Ook dat heeft de aanleg van de A28 betekend: de stilte is hier ver te zoeken.

In de verte doemt de buurtschap Molenhoek op. De gebouwen “spreken” van hun historie: bij de eerste woonboerderij waar je tegen aankijkt, staat het jaartal 1787 op de gevel. In deze buurtschap woonde Hendrik Wanders. Op goed geluk vraag ik bewoners en voorbijgangers naar hem. Kunnen ze zijn boerderij aanwijzen, kennen ze nog familieleden? De meesten denken diep na, maar weten het niet meer precies. De naam Wanders roept ook lang niet bij iedereen iets op, wat niet zo verwonderlijk is, aangezien het gezin, zo blijkt later uit het gesprek met dochter Rika, al in 1956 naar een wat grotere boerderij in Ruinen verhuisde. Hun boerderij in Molenhoek was door de A28 heel ongunstig komen te liggen, pal naast de hoger gelegen snelweg.

Blubber
Wanders woonde destijds met zijn gezin – en met ‘opoe’, vertelt dochter Rika – in de (nu) donkergroene woning aan de t-splitsing op het einde van de parallelweg, op 500 meter van Molenhoek. Voorbij deze buurtschap houdt de es op en is de grond lager gelegen. ‘Hier liep de kreek waarin de kano ooit is achtergebleven,’ zegt erfgoedadviseur Olav Reijers, auteur van de wandelbrochure en voormalig directeur van stichting Drents Plateau. De route wijst in de richting van het huis op de t-splitsing, naar de stip op de kaart waar de kanowandeling om draait: de vindplaats. Waar de kano precies uit de grond kwam, is niet meer te zien; daar loopt de A28 overheen. Maar bijna halverwege de parallelweg moet de kano van de lorrie zijn gevallen en zich aan Wanders hebben geopenbaard.

Behalve een enkele jogger komt hier niemand voorbij. Op Google Streetview is te zien dat hier in de zomermaanden mais groeit. Op deze winterdag liggen de akkers er kaal en modderig bij. Er staan grote plassen water op het land. En juist dat brengt hier, op deze historische plek, de vergleden millennia dichterbij. Bij blubberige bermen en spiegelende sloten is het nu eenmaal gemakkelijker om je voor te stellen hoe hier in de middensteentijd een kano heeft gevaren. Ook Reijers haalt het zich zo voor de geest: ‘De mensen trokken toen nog rond. Zo’n kano was te zwaar om mee te zeulen, dus die lieten ze achter. Af en toe keerden ze terug om ermee te gaan vissen.’ 

Droombeeld
Rond de vindplaats moet het komende jaar een plek worden aangewezen om de kano uit te lichten in het landschap, met een replica en een panoramabord. Dit is een gemeenschappelijk project van Olav Reijers, Green Planet en de gemeente Hoogeveen, waarin informatieve en commerciële belangen handig bij elkaar komen. Green Planet-eigenaar Doorten wil ook de fantasie stimuleren: ‘Als je bij het panoramabord een foto maakt, zou je jezelf in de prehistorie moeten zien.’ Hoofddoel volgens Reijers: de kano meer bekendheid geven, want daar ontbreekt het aan. ‘Landelijk is de kano eigenlijk helemaal niet bekend en in Drenthe suddert het een beetje.’ Hoe dat kan? ‘Zeg het maar. Misschien is het Drentse bescheidenheid,’ lacht hij.

Aan de andere kant van Molenhoek slingert de weg rond de es weer in noordelijke richting, terug naar Green Planet. Naast een paar sparren staan er voornamelijk loofbomen langs de weg. Het droombeeld van de jagers met hun kano lost weer op. Een paar stevig doorwandelende dames en een oude mevrouw met een rollator weten ook niks over de familie Wanders. Verderop staat een man in een rode trui, met twee gehoorapparaten en op klompen ingekuild veevoer bij elkaar te vegen. De hoop is eigenlijk al vervlogen. Maar warempel, deze boer blijkt de sleutel naar het verleden in handen te hebben. Hij verwijst naar de familie Strijker in Pesse: een oomzegger van de kanovinder.

Koolstofdatering
Er is nog zo’n sleutelfiguur: de portier van het Groninger Instituut voor Archeologie. Hij hoeft maar even na te denken om de naam van een inmiddels gepensioneerde archeoloog op te lepelen: Jan Lanting, gespecialiseerd in C14-datering (ook koolstofdatering genoemd, zie kader), de methode die destijds nog maar net bestond en die in Groningen op de kano is toegepast. Zelf begon Lanting in 1961 met zijn studie aan de Rijksuniversiteit Groningen en kreeg er daarna een aanstelling. Hij heeft lang samengewerkt met Willem (Wim) van Zeist, overleden in 2016, de archeoloog die de kano ophaalde uit Pesse en er als eerste wetenschappelijk over publiceerde. 

Van het predicaat “oudste boot” lijkt Lanting niet echt onder de indruk. Hij herinnert zich niet dat al snel duidelijk werd dat de kano van Pesse de oudste boot ter wereld was – hoewel krantenberichten uit die tijd dat toch wel vermelden. ‘Dat het de oudste is, vind ik persoonlijk niet eens zo interessant,’ zegt Lanting. ‘C14-datering laat zien hoe de dingen zich onderling tot elkaar verhouden, dat het één ouder is dan het ander. Daar gaat het mij vooral om.’ De kans dat er in deze streek ooit nog een oudere boot wordt gevonden, acht hij klein. ‘De kano is gemaakt van een den. Dat was de eerste vegetatie na de laatste ijstijd. In heel Europa ten noorden van de Alpen mag je eigenlijk geen oudere boomstamkano verwachten.’ Dan is Drenthe toch een heel bijzondere stip op de kaart? Lanting blijft daar terughoudend over: ‘Toevallig is die van Pesse de oudste.’

wat vond Wim van Zeist er eigenlijk allemaal van, als wetenschappelijke stamvader van de kano? ‘Ik denk dat hij er geen bijzondere gevoelens bij had,’ zegt Lanting ronduit. ‘Van Zeist werd op pad gestuurd om die kano te redden en dat heeft hij gedaan. Het was gewoon een deel van zijn taak.’ Ook Lanting zelf koestert weinig liefde voor het vaartuig. ‘Het klinkt misschien wat oneerbiedig,’ grinnikt hij, ‘maar boomstamkano’s zijn natuurlijk bijzonder oninteressante dingen. Je kunt er nog ’s een bankje voor de roeiers in uitsparen, maar veel mogelijkheden om er iets moois van te maken heb je niet.’

Visvriezer
Na de datering stonden de Groninger wetenschappers voor de volgende vraag: de conservering van de kano. ‘Ze hebben hier toen zitten delibereren over wat ermee moest gebeuren,’ zegt Lanting. ‘Er waren toen nog niet veel andere kano’s gedateerd en in 1955 had men nog weinig ervaring met het conserveren van prehistorisch hout.’ Je kunt dat in ieder geval niet zomaar laten drogen, legt Lanting uit, want dan komt er spanning op te staan en gaat het scheuren. Tegelijkertijd was de prehistorische vondst heel kwetsbaar door bacteriële afbraak in de grond, die de celwanden had verzwakt. ‘Ze hebben ’m uiteindelijk in de vriezer van een vishandelaar gelegd,’ zegt Lanting, ‘en vervolgens in een speciale stalen pijp, aan beide kanten afgesloten. Daar is alle lucht en waterdamp uitgezogen.’ Over dit proces valt ook te lezen in de publicatie van Wim van Zeist uit 1957: de boot verbleef eerst in het gemeentelijk abattoir in Groningen en vervolgens in de koelcel van een vishandelaar, bij -20 graden Celsius. Het drogen gebeurde ten slotte bij Machinefabriek Helpman, ook in Groningen. De vishandelaar was Aldert Venema, gevestigd aan Steentilstraat 22. Zijn naam en adres worden volgens Lanting bevestigd in het handgeschreven dagboek van Willem Glasbergen, destijds conservator van het museum in Assen. 

De conservering van de kano nam maanden in beslag, en dat valt zelfs nog mee. In plaats van vriesdrogen kunnen archeologen ervoor kiezen om een chemische opvulling in de cellen aan te brengen. ‘Denk aan de Vasa in Stockholm,’ zegt Lanting over het Zweedse oorlogsschip uit de 17e eeuw dat in de jaren ’60 werd geborgen. ‘Daarvoor is polyethyleenglycol gebruikt. Dat proces heeft wel 15 jaar geduurd.’
Met zijn kennis lijkt Lanting naar de kern van de kanogeschiedenis te leiden. Maar op de valreep verwijst hij verder: ‘Als je nog meer wilt weten, moet je professor Waterbolk even bellen.’

Professor Waterbolk
De telefoon gaat maar een paar keer over, dan klinkt er een kristalhelder stemgeluid: ik spreek met emeritus hoogleraar Tjalling Waterbolk. Behalve over de vriezer van de vishandelaar zegt hij niet zo veel over de kano van Pesse te weten, omdat hij er ‘niet rechtstreeks bij betrokken was’. Toch valt zijn naam geregeld in bronnen over de kano: Waterbolk – inmiddels over de negentig – was vanaf 1954 hoofd van het Biologisch-Archeologisch Instituut, zoals het toen nog heette, en daarmee de chef van Wim van Zeist. Deze laatste meldde in zijn artikel dat Waterbolk ten tijde van de vondst op vakantie was in Vlissingen, waarna Van Zeist in Pesse ging kijken.
Aan de telefoon is Waterbolk vooral heel lovend over de verdiensten van Hessel de Vries, destijds hoofd van het C14-laboratorium. ‘De Vries heeft de methode verbeterd. Als hij in 1960 nog had geleefd, had hij moeten delen in de Nobelprijs.’ Waterbolk herinnert zich de opbouw van het C14-laboratorium in Groningen nog goed, ook door zijn voorganger Albert Egges van Giffen, de oprichter van het instituut (en beroemde hunebedonderzoeker). Dat vroeg wel om een behoorlijke investering. Waterbolk: ‘10 procent van het budget ging naar de natuurkunde voor het C14-lab.’

Indianenverhalen
Over de kano als object deden jarenlang de wildste geruchten de ronde: het zou geen boot zijn, maar een trog of bloembak. Theorieën die eenvoudig te weerleggen zijn, want landbouw en veeteelt bestonden in de tijd van de kano nog niet. Maar argumenten bleken niet bij machte om de indianenverhalen de wereld uit te helpen. 

Jaap Beuker, tot vorig jaar conservator bij het Drents Museum en geïnteresseerd in experimentele archeologie, besloot daarom een reconstructie van de boot te maken. In 2001 trommelde hij daarvoor een aantal vrijwilligers op, en een filmploeg om de primeur vast te leggen. ‘Het hout kregen we van het Odoornerzand, waar dennen staan van zo’n honderd jaar oud. We hadden een grove den, een “Pinus sylvestris”, nodig van 50 centimeter dikte en zonder zijtakken over een stuk van 3 meter, zodat je geen noesten krijgt. Samen met iemand van de boswachterij hebben we een boom uitgezocht.’ Dat was door de vereisten nog best lastig, maar authenticiteit stond bij het project voorop. ‘We konden ook wel een zwarte den krijgen, met mooie, lange stukken hout. Maar daar moet je je nooit toe laten verleiden.’ 

Voor de enthousiastelingen die wilden meedoen, hanteerde Beuker een simpel criterium. ‘Ze moesten een open haard hebben. Niet om de boel op te stoken,’ grapt hij, ‘maar om er zeker van te zijn dat ze met een bijl konden omgaan.’ Want dat de kano met vuur zou zijn uitgehold, wordt inmiddels ook onwaarschijnlijk geacht. Met bijlen van vuursteen en van hertengewei – eveneens gereconstrueerd door Beuker – ging het team in het diepste geheim aan de slag, in het Drentse dorpje Anderen. ‘We zijn vijf hele dagen bezig geweest. Door daarnaast met houten keggen lange spanen uit de stam te splijten, ging het werk vrij snel.’ De vrijwilligers hadden weinig blaren op de vingers. ‘Het viel echt mee. Het betrof doorgaans mensen die wel wat werk gewend waren, al was het als hobby.’ 

Beuker is ervan overtuigd dat het de jagers van weleer niet meer moeite heeft gekost om de kano te vervaardigen. Wel zullen ze met hun gereedschap 1 of 2 dagen nodig hebben gehad om de boom te kappen. Het liefst was Beuker ze overigens ook daarin nagevolgd, maar vanwege de uitbraak van mond-en-klauwzeer was het in het voorjaar van 2001 niet toegestaan met veel mensen tegelijk het bos in te gaan. ‘En misschien stond in de steentijd een geschikte boom wat verder van het water en moest hij getransporteerd worden, wat tijd kostte. Wij hadden het wat dat betreft gemakkelijk, met een auto en een Belgisch paard.’

Varend bewijs
In het ven op camping Witterzomer bij Assen werd de nagebouwde kano te water gelaten, waarna Mark-Jan Dielemans van de (toen nog) Nederlandse Kano Bond de peddels ter hand nam. In nieuwsberichten over dit moment, op 11 april 2001, valt te lezen over gespannen gezichten langs de waterlijn. Dat moeten eerder zenuwen door alle (pers)aandacht zijn geweest dan twijfels over de zeewaardigheid: daags voor de publieke tewaterlating had het team in Anderen de boot al uitgeprobeerd (uit correspondentie van Jaap Beuker over de planning van het geheime project: ‘Als dan blijkt dat er niet mee te varen is, hebben we een probleem. (…) Persoonlijk ga ik er echter vanuit dat alles wel lukt.’). 

Die officieuze test leidde niet bepaald tot tumult in het team, vertelt Beuker. ‘De eigenaar van het terrein in Anderen voer een rondje, stapte zonder iets te zeggen zó van de boot af en liep weer het bos in.’ Na dit succes was er geen enkele reden om op Witterzomer nog ergens aan te twijfelen. ‘Er kon niks misgaan.’ En zo geschiedde: Dielemans peddelde lachend over het ven en leverde het varende bewijs dat de kano wel degelijk een kano was.

Archeoloog Jan Lanting was erbij op Witterzomer. Wat maakte de reconstructie van de kano voor hem duidelijk? Lanting grinnikt weer: ‘Dat je niet bij meer dan windkracht 4 met een volwassen persoon erop moet uitvaren.’ Serieuzer: ‘Zo’n kano doet het heel goed in rustig water. De mesolithische mens was natuurlijk ook wat kleiner dan de huidige Nederlander.’ Ook Lanting had alle vertrouwen in de vuurdoop. ‘Het varen ging volgens verwachting. Ik was ervan overtuigd dat-ie het zou doen.’

Alledaags vervoermiddel
De betrokken archeologen zeggen allemaal “vóór Witterzomer” al lang ervan overtuigd te zijn geweest dat het bij de vondst uit Pesse daadwerkelijk om een vaartuig ging. In korte bewoordingen maken ze hun standpunt duidelijk. Jan Lanting over de trog of plantenbak: ‘Een volledig absurd verhaal.’ Hij vermoedt dat het deels berust op verkeerd citeren door een buitenlandse onderzoeker die het Nederlands niet machtig was. Jaap Beuker verwijst naar een Deense archeoloog als bron van die theorie. ‘Belachelijk.’ Professor Waterbolk: ‘Ik heb er nooit aan getwijfeld dat het een boot is.’ 

Ze wijzen daarbij ook op het algemene succes van het model. ‘De boomstamkano kwam als alledaags vaartuig tot in de middeleeuwen voor,’ zegt Lanting. Beuker voegt daaraan toe: ‘In Polen werden zulke boten tot in de 20e eeuw gebruikt.’ Erfgoedconsultant Olav Reijers denkt aan het huidige Azië. ‘In delta’s of natte gebieden in Bangladesh en India varen ze er nog steeds mee rond, over ondiep water, om vis te vangen.’ 

Misschien is het juist door deze banaliteit dat het vervoermiddel uit Pesse in de ogen van de archeologen een bijzondere glans mist. Ook Beuker is van het object zelf eigenlijk maar weinig onder de indruk. Zijn woorden doen denken aan die van Lanting: ‘Oudste, grootste, duurste – de overtreffende trap doet het altijd goed. Maar oneerbiedig gezegd is het natuurlijk gewoon een boomstam.’ Wel weet hij nog precies hoe hij in de 4e klas van de lagere school de kano in een boek afgebeeld zag staan, dus indruk maakte deze zeker. Hoewel hij zich decennia later met veel enthousiasme op de reconstructie zou storten, heeft de kano nooit zijn onderzoekershart kunnen stelen. ‘Ik heb me lang beziggehouden met contacten over grote afstanden in de prehistorie. Dat ging zelfs zo ver dat er ten tijde van de hunebedbouwers al sprake was van navigatie op zee. Dat fascineert mij enorm, eigenlijk meer dan de kano van Pesse.’

Verhalenwerf
De nagebouwde kano is te zien in De Verhalenwerf, gevestigd in de bibliotheek van Hoogeveen. Dit zijn de nieuwe naam en locatie van museum De 5.000 Morgen, dat de reconstructie van de kano na de vaartocht in Witterzomer uiteindelijk verwierf en jarenlang tentoonstelde. Nu ligt de gereconstrueerde boot op een soort eiland van houten pallets dat in de centrale bibliotheekruimte De Verhalenwerf vormt. Verderop wandelen bibliotheekbezoekers tussen de stellingen met boeken, zitten te lezen of zoeken informatie via computers. Het is er best druk op deze zaterdagmiddag.
‘De Verhalenwerf is een ontmoetingsplek waar het “verhaal van Hoogeveen” wordt verteld,’ zegt projectmanager Jannie ten Hove. De gemeente is eigenaar van de collectie, die in de loop der jaren door vrijwilligers is verzameld, bewaard en geregistreerd. ‘De objecten hebben niet eens zozeer een financiële als wel een historische en emotionele waarde. We willen graag voor iedereen uit deze streek die herkenning oproepen.’ De benaming “verhalenwerf”, vertelt Ten Hove, verwijst naar de vroegere Hoogeveense scheepswerven. De huidige opstelling van de collectie is geïnspireerd op een letterbak.
Een bewuste keuze, zegt erfgoedmedewerker Barbara Veurink. ‘Sinds de verhuizing laten we tijdelijk van alles zien, als een open depot. De pallets benadrukken dat. Samen met een ontwerpbureau zijn we aan het bekijken hoe de nieuwe permanente tentoonstelling er vanaf najaar 2018 uit moet komen te zien.’ In afwachting daarvan zijn er nog geen informatiebordjes en is de verzameling als geheel uitgestald. Zo ligt de nagebouwde kano op een bed van keien en vuurstenen, geflankeerd door een koffieblik en een reclamebord. Op de kano staat een zwart-witfoto van inwoners van Hoogeveen. De Verhalenwerf oogt hiermee als een compacte, zeg maar gerust bomvolle attractie. Ten Hove: ‘Bezoekers vertellen dat ze iedere keer weer nieuwe objecten ontdekken.’
Het onbehandelde hout van de nagebouwde kano heeft er wel van te lijden dat hij na zijn minute of fame op Witterzomer meteen weer aan land is gehaald. In de voor- en achtersteven is duidelijk te zien wat archeoloog Jan Lanting moet bedoelen over uitdroging: forse scheuren. Hoe lang gaat dat nog goed zo? ‘Die vraag stellen wij onszelf ook,’ zegt Veurink. Klimaatbeheersing is in het algemeen een punt van zorg. ‘Op dit moment wordt de hele collectie nagelopen,’ licht Ten Hove toe, ‘en “ontzameld” wanneer het niet typisch Hoogeveens erfgoed is. Voor die voorwerpen zoeken we elders onderdak. Na “ontzameling” is de klimaatbeheersing een belangrijk agendapunt.’
Over de “echte” kano van Pesse, in het Drents Museum, spreekt Veurink in lovende bewoordingen: ‘Dat is een prachtig stuk.’ Ze vindt het jammer dat hij niet beroemder is. ‘Als Amerika de oudste boot ter wereld had gehad, had iedereen dat geweten. Het is een gemiste kans.’ Ook op regionaal niveau, wat Veurink betreft. ‘Nu ligt hij in Assen. Maar Hoogeveen had destijds ook de keuze kunnen maken om zelf geld te reserveren om hem te conserveren. Dat had kunnen bijdragen aan het beeld van Hoogeveen: “oh, van de kano”. Dat zou mooi zijn geweest.’
In de toekomstige opstelling van De Verhalenwerf zal bij de nagebouwde kano het bijzondere verhaal van de vondst in Pesse centraal staan. Dat past goed bij het uitgangspunt van De Verhalenwerf. En de prehistorie blijft toch een moeilijk behapbaar begrip, merkt Veurink. ‘Waar heb je warme gevoelens bij? Dat is bij erfgoed uit je eigen jeugd. Daarom zijn we eerder geneigd de geschiedenis van de kano in 1955 te laten beginnen. Dat haalt hem meteen een stuk dichterbij.’

Drents Museum
Zoetjesaan wordt het tijd om de “echte” kano van Pesse te gaan bekijken. En dat kan natuurlijk in het Drents Museum, waar de kano na het conserveringsproces onderdak vond. Al 60 jaar lang is hij daar een van de archeologische topstukken. Conservator Wijnand van der Sanden, die op 1 oktober Jaap Beuker is opgevolgd, herinnert zich hoe hij als jongen van een jaar of 15 met de Tienertoer vanuit Noord-Brabant naar Assen kwam en de kano voor het eerst zag. ‘Dat was een bijzonder bezoek. Over de kano had ik al wel iets in boeken gelezen. De veenlijken, waar ik later nog over heb gepubliceerd, moet ik toen ook voor het eerst hebben gezien. Maar gek genoeg zijn die niet blijven hangen.’ 

De kano ligt tegenwoordig beneden, in de “Onderdoorgang”: in de archeologische vleugel de trap af. Beneden klinkt gezoem van technische installaties. Daarbovenuit pingelen muzikale tonen, die de oertijd een klank geven. Eenmaal afgedaald loop je meteen langs de kano. In een glazen kist is hij te ruste gelegd, als een duizenden jaren oude Sneeuwwitje. De vitrine schept afstand en kent de vondst bijna een soort heiligheid toe. Van der Sanden, over de vitrine gebogen: ‘Het vriesdrogen is een goede oplossing gebleken. Ze hadden hem ook kunnen impregneren, maar het nadeel daarvan is dat het object gaat glimmen. De kano is nu mooi mat gebleven.’ Hij wijst naar het linker uiteinde van de boot. ‘Daar zie je heel duidelijk beschadigingen, van toen de dragline hem uit het veen haalde.’ 

Van der Sanden vindt dat je bij de kano wel wat verbeeldingskracht nodig hebt. ‘Als object is zo’n wiel dan alweer gemakkelijker te herkennen.’ Hij kijkt naar een vitrine met een van de oudste wagenwielen van Nederland, gemaakt rond 2.550 voor Christus uit eikenhout. Wat overigens nog maar weer eens aangeeft hoe ontzettend oud de kano van Pesse is. Wat is die als zodanig eigenlijk waard? Van der Sanden wil er geen prijskaartje op plakken. ‘Maar wetenschappelijk is hij natuurlijk van grote waarde.’ 
Uit Nederland zijn verder maar weinig (hele) boomstamkano’s bekend. Zo zijn er nog de kano’s van Nijeveen en Terbregge, beide van loofhout en afkomstig uit de ijzertijd. Eind jaren negentig werd bij Hardinxveld-Giessendam de nu een-na-oudste kano gevonden, vervaardigd uit een linde. Daar steekt de boot van Pesse qua ouderdom nog altijd met kop en schouders boven uit. Jaap Beuker over zijn tijd als museumconservator: ‘Ik heb wel 4 keer een “kano” aangeboden gekregen. Maar de vorm van die boomstammen bleek telkens door natuurlijke verwering te zijn ontstaan.’ Overigens: bij twijfel, bewaren, vindt Wijnand van der Sanden. Het Drents Museum heeft 2 depots. ‘Bij onze afdeling is “ontzamelen” minder aan de orde dan bij bijvoorbeeld de beeldende kunst.’

Veenlijken
Erg vaak komt Van der Sanden – voorheen twintig jaar lang provinciaal archeoloog – hier beneden niet. ‘Eens in de twee weken,’ schat hij. Om rond te dwalen in wat sinds kort zijn eigen domein is? Van der Sanden ziet het wat praktischer: ‘Om bijvoorbeeld iets na te zoeken.’ Voor zijn persoonlijke favoriet zetten we een paar stappen bij de kano vandaan, naar voorwerpen uit het graf van de hoofdman van Drouwen, uit de bronstijd. Samen met de ijzertijd is die periode – ver na de jagers en hun kano – zijn specialisme. Het graf van de hoofdman werd in 1927 ontdekt door Van Giffen, die later dus de komst van het C14-laboratorium zou meemaken. Van der Sanden wijst naar de grafgiften: een bronzen zwaard en bijl, gouden haarringen en vuurstenen pijlpunten, allemaal gevonden bij de opgraving.
Ook aan een gecontroleerde opgraving gaat natuurlijk een ontdekking vooraf. ‘Onderschat daarbij het toeval niet,’ zegt Van der Sanden. Maar bij de boot van Pesse, die zich voor het eerst vertoonde aan een draglinemachinist en een boer, is het helemaal bijzonder verlopen. Er gaat ineens iets open in zijn stem: ‘Het is een mirakel dat de kano er nog is.’
Voor een museaal topstuk trekt het voorwerp niet al te veel bekijks. ‘Hij is minder populair dan de veenlijken. Daarvoor komen mensen speciaal naar het museum,’ zegt Van der Sanden. Of hem weleens verhalen van bezoekers ter ore komen? Of complimenten uit het gastenboek? ‘Niet over de kano.’
De boot van Pesse heeft één keer indruk mogen maken in het buitenland. In het kielzog van de veenlijken ging hij begin deze eeuw op tournee, tijdens de internationale tentoonstelling “The Mysterious Bog People”. ‘De kano is toen naar onder andere Hannover, Manchester en Ottawa geweest,’ vertelt Jaap Beuker, die de reis van de kano coördineerde. ‘Een hele onderneming, want je moet ’m met glazen kist en al inpakken en ervoor zorgen dat bij het vervoer de schokken worden opgevangen.’ Gaat zoiets nog een keer gebeuren? Wijnand van der Sanden kijkt moeilijk. ‘Ik vind het prima als hij gewoon hier blijft.’ Na enig aandringen: ‘Alleen als er ooit ergens een grote tentoonstelling komt over de geschiedenis van de scheepvaart, op Europese schaal, en als aan alle voorwaarden voor het vervoer wordt voldaan. Dan heel misschien.’

Voor wie ooit bij toeval op een bijzonder archeologisch object denkt te stuiten, heeft Van der Sanden een belangrijke tip. ‘Meteen hulp zoeken. Dus bel een museum, de provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.’ Zoals ook Hendrik Wanders in Pesse destijds hulp inriep.

Boer in burger
In Pesse bel ik aan bij een nieuwbouwwoning. Hier woont het echtpaar Strijker. Man Gerrit – 85 jaar – is er niet. Hij is even naar het oude huis, de boerderij in buurtschap Eursinge, waar ze tot voor kort woonden. Verwacht zijn vrouw Bertha hem zo terug? ‘Dat hangt er helemaal van af wie hij tegenkomt.’ Bertha belt even met familie: of Gerrit daar toevallig zit. Ja, hoor. Ze hangt weer op: ‘Hij komt eraan.’
Als Gerrit Strijker, in een warme trui, even later bij ons aanschuift, heb ik het gevoel oog in oog te staan met de historie van deze streek. Een boer in een burgerwoning valt niet langer samen met zijn omgeving, maar lijkt vooral te belichamen wat er achter hem ligt. Uit Strijker stromen – veelal in smeuïg Drents – de herinneringen. Het waren nog de jaren van de kleinschalige landbouw. De families Wanders en Strijker – de moeder van Gerrit Strijker was een zus van Hendrik Wanders – hadden allebei een vermeerderingsbedrijf met kippen. ‘De eieren stempelden we met de hand,’ vertelt Gerrit Strijker. Als kleine jongen kwam hij, ver voor de aanleg van de A28, geregeld in wat “’t Warreveen” werd genoemd, waar zijn ouders land hadden. Zijn vader vond eens op de bodem van een veengat waar ze turf afgroeven een schaap en ‘een bult eikels’, wat uitwees dat daar ooit een boom had gestaan. ‘Moet je nagaan hoeveel jaren oud dat was.’
Strijker zegt geïnteresseerd te zijn in historische onderwerpen. Hij praat honderduit, over de “kerkakkers” op de es, genoemd naar een kapel die inmiddels is verdwenen, en over de lemen vloer en muren van de boerderij uit 1665 waarin zijn vader en hijzelf werden geboren en opgroeiden. Deze boerderij, in de buurtschap Bultinge, werd uiteindelijk vervangen door een nieuw huis. Strijker vertelt dat professor Van Giffen, die destijds in de buurt was voor archeologisch onderzoek, dat maar wát zonde vond. ‘Maar om in te wonen was het niet zo mooi,’ relativeert Strijker. De vondst van de kano was voor hemzelf, met zijn interesse in geschiedenis, zeker een gespreksonderwerp als hij zijn oom Hendrik zag. Even later is hij er toch ineens weer heel nuchter over: ‘Het is gewoon een boomstam. En die hebb’n ze uuthold.’

Knipselmap
In Assen is hond Youp in zijn mand gaan liggen, terwijl Rika Wanders door fotoalbums bladert. Ze heeft ook een knipselmap over de kano, vooral met krantenartikelen over de reconstructie. Rika is de oudste uit het gezin van Hendrik Wanders en Thijssien Wanders-Gort. Het vermeerderingsbedrijf van haar ouders in Molenhoek telde ongeveer 1.000 kippen. Een behoorlijk aantal voor die tijd, weet Rika. Daarnaast hadden ze een stuk of 4 koeien, 2 varkens en een geit: een “arbeiderskoe”, zoals dat heette. Ook teelden ze pootaardappelen. Van de 5 kinderen in het gezin zijn er 2 reeds overleden: zoon Jaap en Alie, de tweelingzus van dochter Annie, nog voor haar 21e om het leven gekomen bij een eenzijdig verkeersongeval. 

Toen de kano uit het veen tevoorschijn kwam, was Rika 11 jaar. Wat weet zij er nog van? ‘Ik meen dat mijn vader de boot op dinsdag heeft gevonden,’ zegt ze. ‘Op zaterdag is er toen een groepje komen kijken.’ Die zaterdag was 20 augustus 1955, toen Wim van Zeist van het Biologisch-Archeologisch Instituut samen met 2 collega’s en de heer Kuiper uit Zuidwolde op verkenning naar Pesse kwam. In het verslag van Van Zeist staat dat de kano rond 13 augustus bij de A28-werkzaamheden uit de grond was gekomen en dat op donderdag 18 augustus Kuiper werd gewaarschuwd. Kuiper kwam geregeld de eieren en aantallen hanen en hennen op de boerderij van Wanders controleren en was daarnaast amateurarcheoloog, vertellen Gerrit Strijker en Rika Wanders. Dinsdag 16 augustus klinkt in dit tijdsverloop als een aannemelijke datum. Saillant detail: de volgende dag werd Wanders 40 jaar. Daar heeft hij het nooit over gehad, zeggen dochters Rika en Annie nu verwonderd.
Hoe ging dat met die vondst nou eigenlijk precies? Daarvoor zou Hendrik Wanders zelf, overleden in 2005, natuurlijk de beste bron zijn. En laat zijn stem nu nog te horen zijn op een oude bandopname voor de Overijsselse Ziekenomroep (OZO), waar Wanders in de jaren negentig voor werd geïnterviewd. De OZO-uitzendingen werden via cassettebandjes verspreid in de regio Zuidwest-Drenthe en bereikten, zo schat interviewer Tammo Hopman – 78 jaar, schoonvader van dochter Annie Hopman-Wanders – zo’n 1.500 luisteraars.

Onder de lindebomen

In het interview vertelt Hendrik Wanders over de aanloop naar de vondst: de koeien van de boer waar hij destijds als melkknecht werkte, waren op zijn eigen akkers beland en hadden daar de bieten en aardappels vernield. Er kwam een verzekeringsinspecteur uit Hoogeveen om de schade op te nemen. Op de terugweg hadden ze de keuze tussen een weg en een karrespoor. Wanders, ook in dat smeuïge Drents: ‘Toen binn’n we bij dat karrespoor langsloop’n, en toen vund’n wij deze boomstamme.’ Volgens dochter Rika was hout altijd welkom voor de boerderij, dus de interesse erin was niet zo verwonderlijk. 

‘Toen leek het nog helemaal niet op een boot,’ gaat de stem van Wanders verder. Maar toen ze de boomstam omdraaiden, viel er opgedroogd veen uit, waardoor de uitholling zichtbaar werd. Ze hadden er niet meteen erg in dat het boot was, zegt Wanders in het interview. Dat bleek de volgende dag, toen Wanders nogmaals ging kijken. In de uitholling meende hij brandplekken te zien. Vervolgens haalden ze de boomstam ‘met de “krulewagen”’ naar huis. De bak van de kruiwagen kon eraf, wat het vervoer gemakkelijker maakte. De boomstam tilden ze aan één kant op en zo schoven ze de kruiwagen eronder. ‘Toen hebb’n we ’m bij huus onder de lindebomen neeregooid.’ 

Hoe vervolgens contact werd gelegd met Kuiper blijft gissen. Telefoon had Wanders nog niet, maar de boer waar hij als melkknecht werkte wel, volgens Rika, als enige in de buurt. Kuiper is komen kijken en belde, zo valt te lezen in het artikel van Wim van Zeist, de burgemeester van Ruinerwold, tevens voorzitter van de Drents Prehistorische Vereniging, en de penningmeester van de Stichting Vrienden van het Provinciaal Museum van Drenthe, zoals het museum in Assen toen nog heette. Via hen werden al snel de deskundigen ingeschakeld.
Professor De Vries – van het C14-lab – gaf opdracht, aldus Wanders in het interview, om de boot in te graven in een sloot en onder water te zetten, zodat het hout niet zou uitdrogen. Rika kan zich dat nog maar al te goed herinneren: ‘De boot lag in een greppel achter ons huis en was afgedekt met jute. Samen met mijn broer Jan Klaas moest ik met water uit de pomp elke dag die jutezakken natmaken.’ Wat ze daarvan vond? Och, het was een klusje en dat deed je gewoon, vertelt ze. ‘Ik moest wel vaker helpen op de boerderij, bijvoorbeeld met koeien melken.’ 

Een paar dagen later haalden de verkenners de boot weer uit de greppel om er monsters van te nemen. Rika ziet ze nog bezig. ‘Met pincetten haalden ze vezeltjes van de boot af en die stopten ze in puntzakjes.’ En die trokken de aandacht. ‘Het waren van die zakjes waar vroeger snoep in zat,’ lacht ze. 

Ook over het “prijskaartje” van de kano, die Wanders op 20 augustus weggaf aan de wetenschappers, komen we in het interview iets meer te weten. Wanders vertelt dat hij eerst 25 gulden kreeg voor het bewaren en later nog eens een gift van 125 gulden. Volgens de omrekenmachine van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, waarmee je koopkracht kunt vergelijken, zou dat tegenwoordig ruim 500 euro zijn. Vast een welkome meevaller voor een ‘klein boertje’, zoals dochter Annie, met ontzag voor het harde werk, haar vader omschrijft. Maar in Rika’s knipselmap valt te lezen over wat ook Wijnand van der Sanden van het Drents Museum benadrukt: de wetenschappelijke waarde. In een bedankbrief uit oktober 1955, gericht aan Hendrik Wanders, uit conservator Glasbergen zijn ‘erkentelijkheid’ voor de vondstmelding, waardoor ‘een belangrijk voorwerp voor de wetenschap kon worden gered’.

Natuurmens
Het OZO-interview maakt nog niet helemaal duidelijk hoe het mogelijk was dat een eenvoudige boer en melkknecht – zonder speciale archeologische kennis – iets zag in een boomstam langs het karrespoor. Familieleden beschrijven Hendrik Wanders als een bescheiden mens. ‘Gewoon,’ zegt Gerrit Strijker. Zijn vrouw Bertha vult aan: ‘Een heel rustige, lieve man. Altijd tevreden.’ 

Was er dan ook niet iets bijzonders in zijn aard waardoor hij oog had voor zo’n object? ‘Hij moet wel een natuurmens zijn geweest,’ zegt Tammo Hopman. ‘Daarin was hij geweldig geïnteresseerd, net als in het boerenwerk.’ Hopman herinnert zich Wanders als een ‘heel fijne man’, een ‘sociaal en meelevend mens’. Dochter Annie benadrukt zijn kennis: ‘Mijn vader was wel algemeen ontwikkeld. Ik denk dat als het mij was gebeurd, ik het niet zou hebben gezien.’ Zoon Jan Klaas, die als 9-jarige samen met zus Rika de boot nat moest houden, sluit zich daarbij aan: ‘Ik zag er niets in.’ Later ging Jan Klaas met zijn eigen gezin weleens naar musea, maar dat deed hij vooral voor de kinderen. ‘Ik was meer de chauffeur. Ik houd niet zo van die oude rommel.’ Rika denkt dat ze de boot pas na 2001 in het museum heeft bekeken. Wat zij toen zag? ‘Ja, dat was gewoon weer die boomstam,’ zegt ze schouderophalend. Maar even later blijkt de kano voor haar toch wel bijzonder: ‘Als ik in het museum ben voor een tentoonstelling, loop ik er altijd even naartoe.’ 

Naast de geldelijke beloning kreeg het hele gezin levenslang gratis toegang in het Drents Museum. ‘Maar we betalen gewoon,’ zegt Rika. Ook Jan Klaas kocht de vorige keer gewoon een kaartje. In het museum werd alsnog duidelijk hoe het zat. ‘Toen kregen we koffie met een gebakje,’ vertelt hij. Hendrik Wanders zelf is volgens de familie de kano ook wel eens gaan bekijken in het museum. En dochter Annie weet te vertellen dat hij haar eigen kinderen ‘met gepaste trots’ een keer meenam naar de bronzen replica in de Dorpsstraat in Pesse. 

Familietrots
Bij de vaartocht van de gereconstrueerde boot op Witterzomer kregen deze 2 kleinkinderen een speciale rol toebedeeld: zij mochten de nagebouwde boot dopen. Mylène Hopman, toen 9 en inmiddels 26 jaar, herinnert het zich vooral als iets wat ze ‘moesten’ doen. Haar drie jaar oudere zus Talitha beleefde de dag als een ‘hele happening’ met veel mensen. ‘We hadden zelf alleen niet zoveel met het geloof, en toen moesten we dus ineens iets “dopen”. Daar begrepen we eigenlijk weinig van.’ Spannend vond Talitha de vaartocht wel. ‘Zou de boot blijven drijven? Het was een hele eer, al waren we ons er op dat moment nog niet zo van bewust.’ Het unieke archeologische bewijs ging langs de kinderen heen, vertelt ook Mylène. ‘Hij dreef en dat was het dan.’ Hun moeder Annie over het project onder leiding van Jaap Beuker en de tewaterlating: ‘Ik had er wel vertrouwen in. Ze waren goed voorbereid.’

Hendrik Wanders kon er niet bij zijn op Witterzomer. Na een herseninfarct had hij zijn spraakvermogen verloren. De herinneringen van de kleindochters aan hun opa zijn daardoor beperkt. Wel weten ze nog dat hij hun de bronzen replica in Pesse liet zien. ‘Daar was hij wel trots op,’ bevestigt Mylène. De familiehistorie was ook voor school handig in te zetten. ‘De kano was een mooi onderwerp voor spreekbeurten. Dat was weer eens wat anders dan paarden,’ lacht Mylène. Hoe ze haar opa zou omschrijven? ‘Opa was wat zachter, gemoedelijker. Oma was meer van aanpakken, zij trok de kar. Ik lijk zelf meer op oma.’ Mylène komt heel af en toe in het Drents Museum. Wel gaat ze dan, net als haar tante Rika, even bij de kano kijken. ‘Het is toch familietrots, iets wat opa heeft kunnen doen voor de geschiedenis.’ Voor haar is dat meer iets wat ze weet dan dat ze er iets bij voelt: ‘Het heeft voor mij geen emotionele waarde.’

Hoe anders is dat voor haar zus. Talitha komt geregeld in het Drents Museum. ‘Ik werk in de zorg. Als activiteit ga ik er ook vaak met cliënten heen.’ Ze ervaart ‘een gevoel van trots’ als ze bij de kano staat. ‘Emotioneel is een groot woord, maar toch. Ik denk aan opa.’ En die roept voor Talitha een helder beeld op: ‘Een echte Drent.’ Daarmee doelt ze vooral op zijn nuchterheid. ‘Hij was wel wat stug misschien, een man van weinig woorden. Maar ook met humor.’ Ze benadrukt zijn lieve karakter. ‘Het was een man met een groot hart. Hij was heel lief voor de mensen om hem heen. En een harde werker, hij was bijvoorbeeld ook actief in het dorp. Een bezig mannetje.’ Talitha is recent zelf moeder geworden. Bij haar is de historie in goede handen voor het nageslacht: ‘Ik wil het verhaal over de kano wel meegeven. Ik ga er sowieso over vertellen en misschien ga ik ook wel naar de bronzen replica in Pesse. En zeker naar het museum.’

Herinnering aan toen
Het OZO-interview met Hendrik Wanders werd opgenomen in het Drents Museum, naast de vitrine met de kano. De eerste vraag luidt of het weerzien hem iets doet. ‘Ach ja,’ klinkt het opgewekte en tegelijkertijd relativerende antwoord. ‘’t Is altied een herinnering aan toen, hè, aan vief’mvieftig. Want zo lange is dat al wel leed’n.’ 

De kano die millennia lang in het veen verborgen lag, blijft door bescheidenheid omgeven. Onnodig dus, volgens sommigen. Olav Reijers desgevraagd: ‘De kano van Pesse is een icoon. Het is een heel mooi toeval dat juist in de provincie die we het minst associëren met water, de oudste kano ter wereld is gevonden.’ Over toeval gesproken, wil hij maar zeggen.
Als de speurtocht rond de kano één ding duidelijk heeft gemaakt is het misschien wel dit: bescheidenheid en grootse gedachten hoeven elkaar echt niet uit te sluiten.

Met dank aan Frans Geubel en Fokko Hopman.
 
Mythes over de kano
‘Het is geen kano maar een trog’
Nonsens. Dat de kano echt een kano is, heeft onder andere de succesvolle vaartocht met de reconstructie bewezen.

‘Hij lag wel 7 meter diep’
Klopt niet: het veenpakket dat de kano verborgen hield, was zelf niet meer dan 4 meter dik. De kano lag daarin ongeveer halverwege, horizontaal, op 2 tot 2,5 meter beneden maaiveld.

‘De schoolmeester bevestigde dat het iets bijzonders was’
Nee, die eer valt te beurt aan de heer Kuiper uit Zuidwolde, die als controleur geregeld op de boerderij kwam en actief was als amateurarcheoloog. Via hem is de bal aan het rollen gegaan naar het museum en de wetenschappers. Schoolmeesters speelden wel een rol bij andere vondsten, zoals het meisje van Yde en de prinses van Zweeloo.
 
10 gram
In Groningen staat het enige C14-laboratorium van Nederland. Voor de C14-dateringingsmethode, ontwikkeld in 1949, kreeg de Amerikaanse fysisch chemicus Willard Libby de Nobelprijs voor de Scheikunde toegekend. Bij koolstofdatering, zoals de methode ook wel heet, kijk je naar het aantal radioactieve koolstof-14-isotopen dat nog aanwezig is in dood organisch materiaal. Dit aantal zegt iets over de ouderdom. Archeoloog Jan Lanting, tot zijn pensionering werkzaam aan het Groninger Instituut voor Archeologie, vertelt hoe dat in de jaren ’50 ging: ‘Toen had je nog 10 gram van het materiaal nodig. Tegenwoordig is 50 milligram al voldoende.’ Of die monsters nog ergens in het lab liggen? ‘Nee, de methode betekent helaas ook dat je het materiaal verbrandt en de koolstof omzet in CO2.’ Die 10 gram van de kano van Pesse is dus letterlijk in rook opgegaan.

Wandelroute 
Een wandelroute rond prehistorisch erfgoed: dat is voor een tankstation helemaal geen vreemde interesse, licht marketingmedewerker Marloes Kelfkens toe. ‘Green Planet wil een oase van rust zijn. Een plek om op te laden.’ Green Planet ligt naast de plek waar de kano van Pesse destijds is gevonden. Eigenaar Edward Doorten heeft een helder beeld van hoe de kano en zijn tankstation elkaar aanvullen: ‘We bieden hier traditionele brandstoffen, maar ook duurzame. Snacks versus een saladebar. En zo kent elke toekomst een verleden.’ Voor Doorten staat de kano symbool voor duurzame mobiliteit. ‘Dat ging 100% energieneutraal, met spierkracht. Laten we trots zijn op die kano, als oudste vaartuig ter wereld.’ En eerlijk is eerlijk: dat hij ondernemer is, speelt natuurlijk ook mee. ‘De kano kan toeristen trekken en die komen hier in de regio centjes uitgeven.’ De wandeling heeft Doorten oorspronkelijk laten maken voor vergaderlocatie Seats2Meet, ook onderdeel van Green Planet. ‘In de pauze kunnen vergaderende gasten dan op een leuke manier een frisse neus halen. En tijdens zo’n mooie wandeling komen ze misschien zelfs op nieuwe ideeën.’
Download de gratis wandelroute – 3,5 km, verharde weg – op greenplanet.nl.

Verder lezen
In april verschijnt een gloednieuw overzicht van de Drentse geschiedenis en archeologie. De 2 boeken zijn geïllustreerd met kaarten en (drone)foto’s. Wijnand van der Sanden, conservator van het Drents Museum, nam het archeologiedeel voor zijn rekening. Dit bevat bovendien niet eerder gepubliceerd beeldmateriaal van bijzondere vondsten. Samen bieden de uitgaven meer dan 600 pagina’s lees- en kijkplezier voor iedereen die meer wil weten over deze provincie.
Geschiedenis van Drenthe – In archeologisch perspectief.
Geschiedenis van Drenthe – In nieuw perspectief.
Uitgeverij Van Gorcum, set van 2 delen: € 79,00 / per los deel: € 39,50.

Tekst: Ankie Lok (2018)
Foto's: replica Boot van Pesse in de Verhalenwerf / Bibliotheek Hoogeveen (2019)





Alle rechten voorbehouden

Media